C-804/19 Markt24

Prejudiciële hofzaa k

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    26 december 2019
Schriftelijke opmerkingen:                    12 februari 2020

Trefwoorden : rechterlijke bevoegdheid; arbeidsovereenkomst; achterstallig loon

Onderwerp :

•          Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;

 

Feiten:

Verzoekster is BU en de verwerende partij is Markt24. Op  27 april 2018 eist BU van Markt 24 o.m. achterstallige loonbetalingen en een vakantiegelduitkering ter hoogte van in totaal 2962,80 EUR. Overeengekomen was een vergoeding van 639,15 netto per maand voor een deeltijdbetrekking. De arbeidsrelatie was middels opzegging door Markt24 beëindigd. Markt24 is gevestigd in het district München. De woonplaats van BU bevindt zich in Oostenrijk. BU werd aangesproken door een man die beweerde dat hij een goed bedrijf kende dat medewerkers zocht. Vervolgens ondertekende BU de arbeidsovereenkomst voor het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden. De overeenkomst werd niet ondertekend in de kantoorruimte van Martk24, maar in een bakkerij te Salzburg. Partijen kwamen overeen dat de werkzaamheden op 6 september 2017 zouden starten. BU kreeg echter geen werkzaamheden toegewezen. Ze was wel telefonisch bereikbaar en beschikbaar voor werk. BU had geen telefoonnummer van de medewerker van Markt24 met wie zij de arbeidsovereenkomst had gesloten. BU ontving tijdens de arbeidsrelatie geen loon en ook geen loonstrook. De ingeroepen rechtbank is bevoegd, omdat Markt24 aan het begin van de dienstbetrekking een kantoor in Salzburg had. Omdat de rechtsvordering niet aan Markt24 kon worden bezorgd, is door middel van een beslissing van 26 december 2018 ten behoeve van Martk24 een gemachtigde voor ontvangst van de betekening benoemd. Deze betwistte door middel van een conclusie van 7 januari 2019 zowel de binnenlandse jurisdictie als de bevoegdheid van de verwijzende rechter.

 

Overweging:

Allereerst rijst de algemene vraag of artikel 21 van verordening 1215/2012 ook dient te worden toegepast op arbeidsrelaties waarin de werkneemster weliswaar in Oostenrijk een arbeidsovereenkomst is overeengekomen, maar de werkneemster daarna noch in Oostenrijk, noch in Duitsland werkzaamheden heeft verricht. Indien die toepasselijkheid wordt bevestigd, worden de vragen voorgelegd of het nationale recht, gelet op de Europese regeling die in dit opzicht voorziet in een minder gunstige regeling voor werknemers, kan worden toegepast. Voor het geval dat het voor de werkneemster gunstigere nationale recht niet mag worden toegepast, worden de vragen gesteld op welke wijze artikel 21 van verordening 1215/2012 dient te worden uitgelegd. Mocht artikel 21 helemaal niet op de onderhavige zaak van toepassing zijn, dan dient na te worden gegaan hoe de overige bepalingen van de verordening moeten worden uitgelegd in omstandigheden als de onderhavige.

 

Prejudiciële vragen:

1) Is artikel 21 van verordening (EU) nr. 1215/2012 van toepassing op een arbeidsrelatie waarbij weliswaar een arbeidsovereenkomst in Oostenrijk voor in Duitsland te verrichten werkzaamheden is gesloten, maar door de werkneemster, die zich gedurende meerdere maanden in Oostenrijk beschikbaar heeft gehouden voor het werk, geen werkzaamheden zijn verricht?

2) Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: Moet artikel 21 van verordening (EU) nr. 1215/2012 aldus worden uitgelegd dat een nationaal voorschrift, zoals § 4, [Or.2] lid 1, onder a), van de wet inzake de rechtbank voor arbeids- en sociale zaken (hierna: „ASGG”), dat aan een werkneemster de mogelijkheid biedt om een rechtsvordering in te stellen in de woonplaats die ze tijdens de arbeidsrelatie heeft of bij beëindiging van de arbeidsrelatie had (en dat dus het instellen van een rechtsvordering eenvoudiger maakt), kan worden toegepast?

3) Moet artikel 21 van verordening (EU) nr. 1215/2012 aldus worden uitgelegd dat een nationaal voorschrift, zoals § 4, lid 1, onder d), ASGG, dat aan een werkneemster de mogelijkheid biedt om een rechtsvordering in te stellen in de plaats waar het loon moet worden betaald of bij beëindiging van de arbeidsrelatie moest worden betaald (en dat dus het instellen van een rechtsvordering eenvoudiger maakt), kan worden toegepast?

4) Indien de tweede en derde vraag ontkennend worden beantwoord:

4.1) Moet artikel 21 van verordening (EU) nr. 1215/2012 aldus worden uitgelegd dat bij een arbeidsrelatie waarbij de werkneemster geen werkzaamheden heeft verricht, de rechtsvordering moet worden ingesteld in de lidstaat waarin de werkneemster zich voor werk beschikbaar heeft gehouden?

4.2) Moet artikel 21 van verordening (EU) nr. 1215/2012 aldus worden uitgelegd dat bij een arbeidsrelatie waarbij de werkneemster geen werkzaamheden heeft verricht de rechtsvordering moet worden ingesteld in de lidstaat waarin de arbeidsovereenkomst is voorbereid en gesloten, ook indien in die overeenkomst werkzaamheden in een andere lidstaat waren overeengekomen of beoogd?

5) Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: Is artikel 7, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van toepassing op een arbeidsrelatie waarbij weliswaar een arbeidsovereenkomst in Oostenrijk voor werkzaamheden in Duitsland is gesloten, maar door de werkneemster, die zich gedurende meerdere maanden in Oostenrijk voor werk beschikbaar heeft gehouden, geen werkzaamheden zijn verricht, indien een nationaal voorschrift, zoals § 4, lid 1, onder a), ASGG, dat aan een werkneemster de mogelijkheid biedt om een rechtsvordering in te stellen in de woonplaats die zij tijdens de arbeidsrelatie heeft of bij beëindiging van de arbeidsrelatie had (en dat dus het instellen van een rechtsvordering eenvoudiger maakt), kan worden toegepast, of indien een nationaal voorschrift, zoals § 4, lid 1, onder d), ASGG, dat aan een werknemer de mogelijkheid biedt om een rechtsvordering in te stellen in de plaats waar het loon moet worden betaald of bij beëindiging van zijn arbeidsrelatie moest worden betaald (en dat dus het instellen van een rechtsvordering eenvoudiger maakt), kan worden toegepast?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV