C-805/19 VINI

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     30 december 2019
Schriftelijke opmerkingen:                     16 februari 2020

Trefwoorden : voortijdig ontslag, vakantiedagen

Onderwerp :

Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (arbeidstijdrichtlijn).

 

Feiten:

De in Tsjechië woonachtige verzoekster heeft aangevoerd dat zij op 28-11-2018 als hulpkelnerin in dienst is getreden bij verweerster. Op 23-01-2019 is zij ziek geworden, waarna zij tot en met 29-01-2019 arbeidsongeschikt is geweest. Op donderdag 31-01-2019 is verzoekster weer op het werk verschenen. De directeur van verweerster heeft haar meegedeeld dat hij haar niet meer nodig had en dat het dienstverband was beëindigd. Er moet van worden uitgegaan dat verweerster in strijd heeft gehandeld met de voorschriften inzake de termijn en de dag van opzegging. Verzoekster is door verweerster om onduidelijke redenen met terugwerkende kracht tot 01-01-2019 wegens onterechte voortijdige ontslagname afgemeld. Verzoekster stelt dat zij geen wettelijke vakantiedagen heeft opgenomen en daarom recht heeft op een vergoeding voor 5.42 werkdagen. Verweerster heeft aangevoerd dat verzoekster zich in de periode van haar arbeidsongeschiktheid ziek heeft gemeld en dat zij op de dag van haar terugkomst vrij was. In tegenstelling tot wat verzoekster heeft aangevoerd, is haar dienstverband niet op 31-01-2019 door de directeur van verweerster, opgezegd, maar is zij in februari 2019, ofschoon zij was opgeroepen om weer aan het werk te gaan, ten onrechte niet meer op het werk verschenen. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat verzoekster onterecht voortijdig ontslag heeft genomen.

 

Overweging:

Volgens Duitse wetgeving is in geval van onterechte voortijdige ontslagname geen vervangende vergoeding wegens niet opgenomen vakantiedagen verschuldigd. Echter, uit artikel 7, lid 2, van de arbeidstijdrichtlijn volgt dat een werknemer recht heeft op compensatie van niet opgenomen vakantie, ongeacht de wijze waarop het dienstverband is beëindigd. De verwijzende rechter vraagt zich daarom af of een werknemer zijn recht op een vervangende vergoeding wegens niet opgenomen vakantiedagen voor het lopende arbeidsjaar verliest wanneer hij de arbeidsverhouding onmiddellijk (zonder opzegtermijn) verbreekt.

 

Prejudiciële vragen:

Moeten artikel 31 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 7, lid 2, van de arbeidstijdrichtlijn 2003/88/EG zo worden uitgelegd dat de nationale wettelijke bepaling in § 10, lid 2, Urlaubsgesetz (UrlG), die voorschrijft dat wanneer de werknemer voortijdig ontslag neemt, er geen vervangende vergoeding wegens niet opgenomen vakantiedagen voor het lopende (laatste) arbeidsjaar verschuldigd is, niet van toepassing is?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-341/15), (C-282/10), (C-337/10), (C-118/13)

Specifiek beleidsterrein: SZW