C-807/19 DSK Bank et FrontEx International

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     6 januari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     23 februari 2020

Trefwoorden : betalingsbevelprocedure; kredietovereenkomst; oneerlijke bedingen

Onderwerp :

•          Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad

•          Richtlijn 2011/90/EU van de Commissie van 14 november 2011 tot wijziging van deel II van bijlage I bij richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de aanvullende hypothesen voor de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage

 

Feiten:

Verzoekster in de betalingsbevelprocedure (een persoon die aanvoert dat hij kredietverstrekker is) is „DSK Bank” EAD, een bank die naar Bulgaars recht is ingeschreven. De schuldenaar is een natuurlijke persoon die nog geen procespartij is. Verzoekster heeft verzocht om een onmiddellijk uitvoerbaar betalingsbevel overeenkomstig artikel 417 GPK. Dit is een beslissing waarbij de rechter instemt met de tenuitvoerlegging van de geldvordering door de verzoekende partij alvorens hij de schuldenaar tot de procedure toelaat, aangezien de wetgever ervan uitgaat dat bepaalde documenten dermate geloofwaardig zijn dat een formele oppervlakkige controle ervan reeds volstaat om de afgifte van een betalingsbevel te rechtvaardigen. Verzoekster voert aan dat de vordering voortvloeit uit een kredietovereenkomst van 15-07-2016. De schuldenaar is geen enkele verplichting uit deze overeenkomst nagekomen en heeft niet eens de eerste termijnbetaling voldaan die op 26-08-2016 was verschuldigd.

 

Overweging:

Bij de beoordeling of de nationale rechterlijke instantie in de mogelijkheid verkeert om de op haar rustende Unierechtelijke verplichtingen – in casu de verplichtingen inzake de bescherming van de consument tegen oneerlijke

bedingen in consumentenovereenkomsten – ten volle na te komen, moet in acht worden genomen dat de betalingsbevelprocedure als een snelle procedure is bedoeld waarbij de rechter zich in wezen tot een formele toetsing beperkt en ervan wordt uitgegaan dat partijen zichzelf beschermen door verzet aan te tekenen tegen de betalingsbevelen die ten aanzien van hen zijn afgegeven. Om die reden is de rechter volgens nationaal recht verplicht om betalingsbevelprocedures binnen drie dagen te beëindigen. Een onrechtmatige overschrijding van deze termijn levert schending op van de tuchtrechtelijke regels. Uit de informatie over de werklast die op de rechters van de rechtbank van eerste aanleg Sofia, Bulgarije drukt, kan worden afgeleid dat elke rechter die aan deze rechtbank is verbonden, dagelijks twee zaken in verband met de afgifte van een betalingsbevel moet behandelen, naast zijn overige taken in andere procedures. Door deze hoge werkdruk gaan vele rechters zelfs niet na of in de overeenkomsten die samen met de verzoeken tot afgifte van een betalingsbevel worden overgelegd, al dan niet sprake is van oneerlijke bedingen. Bijgevolg rijst de vraag of een bovenmatige werklast in sommige rechterlijke instanties van een lidstaat die rechters belet de op hen rustende Unierechtelijke verplichtingen na te komen, op zich al schending oplevert van het Unierecht. Verder twijfelt de verwijzende rechter of hij in het onderhavige geding ambtshalve moet toetsen op oneerlijke bedingen en deze bedingen buiten toepassing moet laten wanneer hij uit de beschikbare zaakgegevens kan opmaken dat de tenuitvoerlegging jegens de consument op grond van deze bedingen wordt gevorderd. De twijfels volgen uit het feit dat hij niet rechtstreeks oneerlijke bedingen heeft vastgesteld, maar louter vermoedt dat van dergelijke bedingen sprake is. Mocht het Unierecht zich ertegen verzetten dat de nationale rechter onmiddellijk weigert om een betalingsbevel af te geven wanneer hij vermoedt dat de toepassing van oneerlijke bedingen ten nadele van een consument wordt beoogd, dan rijst de vraag of de nationale rechter mag verlangen dat de „noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens worden vastgesteld. Verder moet in dit verband worden vastgesteld in hoeverre de rechter in het kader van een formele betalingsbevelprocedure verplicht is om de nationale bepalingen die een hogere bescherming van de consument waarborgen, ambtshalve te onderzoeken.

 

Prejudiciële vragen:

1) Levert de omstandigheid dat een nationale rechterlijke instantie met een aanzienlijk hogere werklast kampt dan andere rechterlijke instanties in dezelfde aanleg en dat deze rechterlijke instantie hierdoor wordt belet de haar overgelegde documenten op grond waarvan de voorlopige tenuitvoerlegging moet of kan worden bevolen binnen een redelijke termijn te onderzoeken en tegelijkertijd binnen een redelijke termijn ter zake uitspraak te doen, als zodanig schending op van de Unierechtelijke beginselen van consumentenbescherming of van andere grondrechten?

2) Moet de nationale rechterlijke instantie weigeren uitspraken te doen die kunnen leiden tot een tenuitvoerlegging wanneer de consument daartegen geen verzet aantekent, indien hij ernstige vermoedens heeft dat het verzoek berust op een oneerlijk beding in een consumentenovereenkomst, ook indien daarvoor overtuigend bewijs in het dossier ontbreekt?

3) Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord: mag de nationale rechterlijke instantie, voor zover zij dergelijke vermoedens koestert, aanvullend bewijsmateriaal verlangen van de verkoper die partij is bij de overeenkomst, ook wanneer zij volgens nationaal recht in het kader van een procedure waarin een mogelijk uitvoerbare uitspraak wordt gedaan daartoe niet bevoegd is zolang de schuldenaar geen verzet aantekent?

4) Gelden de vereisten krachtens het Unierecht in samenhang met richtlijnen tot harmonisatie van het consumentenrecht inzake een door de nationale rechterlijke instantie ambtshalve te verrichten vaststelling van bepaalde omstandigheden ook in gevallen waarin de nationale wetgever de consumenten aanvullende bescherming (meer rechten) toekent bij een nationale wet tot uitvoering van een bepaling van een richtlijn die de toekenning van een dergelijke versterkte bescherming toestaat?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:  ( С -168/05), Pannon GSM ( С -243/08),  Banco Español de Crédito ( С -618/10) ( С -617/10) Profi Credit Polska ( С -176/17)

Specifiek beleidsterrein: EZK