C-81/19 Banca Transilvania

​​​​​​​

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    16 april 2019
Schriftelijke opmerkingen:                    2 juni 2019

Trefwoorden : oneerlijke bedingen; banken

Onderwerp :

-           Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten,

 

Feiten:

In maart 2006 hebben de verzoekende partijen een kredietovereenkomst gesloten met SC Volksbank Romania (thans SC Banca Transilvania) ten bedrage van 90.000 RON, met een looptijd van 192 maanden. Als onderpand voor de lening werd een hypotheek op de woning van verzoekers gevestigd. Voor de herfinanciering van deze lening hebben dezelfde partijen op 15.10.2008 een tweede kredietovereenkomst gesloten, ten bedrage van 65.000 Zwitserse frank (CHF), met een looptijd van 192 maanden. Ook voor deze lening was er als onderpand een hypotheek gevestigd op een pand dat eigendom was van verzoekers. Tussen 05.09.2010 en 16.10.2016 hebben verzoekers de bank verzocht om concrete maatregelen om de gevolgen van de aanzienlijke stijging van de valutakoers op te vangen, welke gedurende de looptijd van het contract uitsluitend door verzoekers werden gedragen. Zo bedroeg bij de koers die gold op 16.10.2010 het bedrag van de lening 159.126 RON, terwijl dat bedrag op 13.04.2017 276.887 RON bedroeg. Verzoekers stellen dat, aangezien zij door de bank niet op de hoogte zijn gebracht van het risico dat de CHF in waarde zou stijgen, en omdat zij effectief in de onmogelijkheid verkeerden te onderhandelen over de inhoud van het beding dat hen ertoe verplichtte de lening terug te betalen in dezelfde munt als waarin deze was toegekend, de bank een ongerechtvaardigd voordeel heeft genoten. De rechter heeft de vordering deels toegewezen, maar heeft het verzoek om de wisselkoers vast te stellen op het niveau dat gold op de datum van de ondertekening van de overeenkomst verworpen. De rechter heeft geoordeeld dat het beding is opgesteld in heldere en begrijpelijke bewoordingen, op een dusdanige manier dat iedere consument kan voorzien dat hij zich blootstelt aan een valutarisico, wat willens en wetens is geaccepteerd door verzoekers, en dat de verkoper aan zijn informatieplicht heeft voldaan. Zowel verzoekers als de bank zijn in hoger beroep gegaan bij de verwijzende rechter, de rechter in tweede aanleg.

 

Overweging:

Volgens de bank valt het beding omtrent de munt van de lening onder het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst en geeft het uitvoering aan het beginsel van het nominalisme, waardoor het buiten de controle van de gerechtelijke instanties valt, wat de oneerlijke aard ervan betreft. De verwijzende rechter wijst erop dat de nationale rechtspraak niet uniform is met betrekking tot de wijze waarop het beginsel van het monetaire nominalisme, als aanvullende nationale rechtsnorm, in aanmerking dient te worden genomen. Dit heeft te maken met de essentiële afwijking tussen de Roemeenstalige versie en de Franstalige versie van het arrest Andriciuc. De Franstalige versie van het arrest spreekt van dwingende bepalingen, waar de Roemeenstalige versie spreekt van verplichte bepalingen. De verwijzende rechter vraagt zich verder af of het fair is dat de consumenten de gevolgen van een tardieve reactie van de wetgever ondervinden, die dit verschijnsel niet heeft aangepakt hoewel het zich op grote schaal voordoet.

 

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 1[, lid] 2, van richtlijn 93/13/EEG aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een contractueel beding wordt onderzocht vanuit het oogpunt van de oneerlijke aard ervan, wanneer daarin een bepaling van aanvullend recht is overgenomen waar de partijen van konden afwijken, maar waar zij in de praktijk niet van zijn afgeweken aangezien er niet over is onderhandeld, zoals in het concreet onderzochte geval geldt voor het beding volgens hetwelk het krediet dient te worden terugbetaald in de vreemde munt waarin het is toegekend?

2. Kan, in de omstandigheid dat er bij de toekenning van het krediet in een vreemde munt geen berekeningen/ramingen aan de consument zijn voorgelegd met betrekking tot de economische impact van een eventuele schommeling van de wisselkoers op de totale uit het contract voortvloeiende betalingsverplichtingen, op goede gronden worden aangevoerd dat een dergelijk beding, volgens hetwelk het valutarisico volledig door de consument wordt gedragen (uit hoofde van het beginsel van het nominalisme), duidelijk en begrijpelijk is en dat de verkoper/de bank in goed vertrouwen heeft voldaan aan de verplichting de kredietnemer te informeren, in aanmerking genomen dat de door de Banca Națională a României (Nationale Bank van Roemenië) vastgestelde maximale schuldenlast van de consumenten is berekend op basis van de wisselkoers zoals die gold op het moment dat het krediet werd toegekend?

3. Verzetten richtlijn 93/13/EEG en de op basis daarvan ontwikkelde rechtspraak alsmede het doeltreffendheidsbeginsel zich ertegen dat het contract ongewijzigd wordt voortgezet nadat is vastgesteld dat een beding aangaande de toewijzing van het valutarisico oneerlijk is? Welke aanpassing zou het mogelijk maken om het oneerlijke beding buiten toepassing te laten en het doeltreffendheidsbeginsel in acht te nemen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-618/10 Banco Español de Crédito; C-92/11 RWE Vertrieb; C-397/11; C-34/13; C-280/13 Barclays Bank; C-51/17 OTP Bank en OTP Faktoring; C-186/16; C-119/17.

Specifiek beleidsterrein: EZK;