C-810/19 Flightright

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     3 januari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     20 februari 2020

Trefwoorden : compensatie luchtreizigers, vertraging, rechtstreeks aansluitende vlucht

Onderwerp :

Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91

 

Feiten:

Verzoekster heeft als gesubrogeerde in de rechten van vier passagiers beroep ingesteld. De passagiers hebben bij verweerster vluchten geboekt van Frankfurt am Main naar Doha op 18-07-2018 met een geplande vertrektijd van 10.55 uur plaatselijke tijd en geplande aankomsttijd van 17.55 uur plaatselijke tijd, alsook vluchten van Doha naar Windhoek op 20-07-2018, met een geplande vertrektijd van 2.00 uur en geplande aankomsttijd van 10.40 uur. Voor het oponthoud in Doha van 18 juli 2018 om 17.55 uur tot 20-07-2018 om 2.00 uur (in totaal 32 uur en 5 minuten) hebben de passagiers een hotel geboekt in Doha. Verweerster heeft op 19-07-2018 een vlucht van Doha naar Windhoek met een vertrektijd om 2.00 uur aangeboden, waarvan de passagiers geen gebruik hebben gemaakt De vlucht van Frankfurt am Main naar Doha is op tijd vertrokken en zonder vertraging uitgevoerd. De vlucht van Doha naar Windhoek heeft een vertraging opgelopen van 5 uur en 52 minuten. De passagiers hebben hun compensatieaanspraken jegens verweerster overgedragen aan verzoekster. Verzoekster vordert van verweerster betaling van een bedrag van 600 EUR voor elke passagier wegens het feit dat hun vlucht met een aankomstvertraging van meer dan 3 uur in Windhoek is geland. De rechter in eerste aanleg heeft de vordering afgewezen, aangezien het om een vertraagde vlucht van Doha naar Windhoek ging en verweerster geen in de Europese Unie gevestigde luchtvaartmaatschappij is. De omstandigheid dat de eerste vlucht vanuit Frankfurt am Main is vertrokken, doet niet ter zake. Het gaat om twee afzonderlijke vluchten en aangezien er sprake was van een oponthoud van ongeveer 56 uur en dus niet van een tussenlanding. Tegen de afwijzing van haar vordering heeft verzoekster hoger beroep ingesteld.

 

Overweging:

Of het beroep kans van slagen heeft, hangt in belangrijke mate af van de vraag of de vlucht van Doha naar Windhoek een vlucht is die in de zin van artikel 2, onder h), van verordening 261/2004 „rechtstreeks aansluit” op de vlucht van Frankfurt am Main naar Doha. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat verordening 261/2004 van toepassing is op passagiersvervoer dat op grond van één enkele boeking wordt verricht, waarbij tussen het vertrek vanuit een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat en de aankomst in een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een derde staat, een geplande tussenlanding plaatsvindt buiten de Unie waarbij van vliegtuig wordt veranderd. Deze voorwaarden zijn in casu vervuld. De vluchten van Frankfurt am Main naar Doha en van Doha naar Windhoek zijn namelijk samen geboekt bij verweerster en door haar tevens als eenheid bevestigd op het „e-ticket receipt.” De bijzonderheid van dit geding bestaat evenwel in de omstandigheid dat tussen de eerste en de tweede vlucht sprake was van een oponthoud van ongeveer 32 uur op de plaats van tussenlanding en dat de vervolgvlucht niet de eerstvolgende mogelijke vlucht was waarmee de reis van de plaats van tussenlanding naar de eindbestemming had kunnen worden voortgezet. Het zou namelijk mogelijk zijn geweest om reeds 24 uur eerder een vervolgvlucht te nemen, omdat verweerster ook op 19-07-2018 een eerder vlucht heeft aangeboden, waarvan de passagiers geen gebruik hebben gemaakt vanwege het loutere feit dat zij nog op vrienden wachtten en de stad wilden bekijken, zodat zij ook een overnachting in Doha hadden geboekt. De rechtstreeks aansluitende vlucht, die ook haalbaar zou zijn geweest, was de vlucht van 19-07-2018, en niet die van 20-07-2018. Daarom rijst de vraag of in een dergelijk geval nog sprake kan zijn van een „rechtstreeks aansluitende” vlucht in de zin van de verordening.

 

Prejudiciële vragen:

1) Is er ook sprake van een „rechtstreeks aansluitende vlucht” in de zin van artikel 2, onder h), van verordening nr. 261/2004 wanneer in het geval van vluchten die bij één enkele boeking zijn aangekocht en waarbij is voorzien in een overstap op een buiten het grondgebied van de Europese Unie gelegen luchthaven, een langdurig oponthoud op de plaats van tussenlanding is ingepland en de geboekte vervolgvlucht niet de eerstvolgende haalbare vlucht is?

2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004 aldus worden uitgelegd dat de verordening ook van toepassing is op het luchtvervoer van passagiers met een vlucht die niet op een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat begint, maar onderdeel vormt van een en dezelfde boeking die ook een vlucht vanaf een op het grondgebied van een lidstaat gelegen luchthaven omvat, hoewel het niet om een rechtstreeks aansluitende vlucht gaat?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-402/07), (C-581/10), arrest van het Hof van 31 mei 2018 (C-537/17), C-502/18, (C-11/11)

Specifiek beleidsterrein: IenW