C-812/19 Danske Bank

Prejudiciële hofzaak    

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    25 december 2019
Schriftelijke opmerkingen:                    11 februari 2020

Trefwoorden : btw; banken; filiaal;

Onderwerp :

•          Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

 

Feiten:

Danske Bank heeft haar hoofdkantoor in Denemarken en verricht haar activiteiten in Zweden via een filiaal. Zij maakt deel uit van een Deense btw-groep. Het filiaal maakt geen deel uit van een Zweedse btw-groep. De bank maakt bij haar activiteiten in de Noordse landen gebruik van een IT-platform dat grotendeels gemeenschappelijk is voor alle inrichtingen. Voor het gebruik dat het filiaal voor de Zweedse activiteiten maakt van het platform, rekent het hoofdkantoor de kosten toe aan het filiaal. Via een verzoek aan de Skatterättsnämnd (commissie voor voorafgaande fiscale beslissingen) wilde het filiaal te weten komen of het feit dat de bank lid is van een Deense btw-groep, met zich meebrengt dat de btw-groep voor de toepassing van de bepalingen van de btw-wet moet worden beschouwd als een ten opzichte van het Zweedse filiaal opzichzelfstaande belastingplichtige. Het filiaal wilt ook weten of de door de Deense btw-groep verrichte diensten, waarvan de kosten aan het filiaal worden toegerekend, moeten worden beschouwd als aan de btw onderworpen handelingen, of de btw moet worden verlegd naar het filiaal in Zweden en of de maatstaf van heffing overeenkomt met het bedrag van de toegerekende kosten. Tegen de beslissing van de fiscale commissie is Danske Bank bij de Högsta förvaltningsdomstol (verwijzende rechter) in beroep gegaan.

 

Overweging:

Een bank in een andere lidstaat verricht diensten ten behoeve van zijn Zweedse filiaal en rekent de kosten daarvan toe aan dat filiaal. De bank is lid van een btw-groep in de andere lidstaat, terwijl het filiaal geen deel uitmaakt van een btw-groep in Zweden. Deze kwestie is door het Hof niet onderzocht. De verwijzende rechter wenst bij wege van prejudiciële beslissing te vernemen of de btw-groep bij het verrichten van diensten de hoedanigheid van een opzichzelfstaande belastingplichtige heeft ten opzichte van het filiaal en of het filiaal om die reden op haar beurt de hoedanigheid van een opzichzelfstaande belastingplichtige heeft.

 

Prejudiciële vraag:

Vormt een Zweeds filiaal van een bank waarvan het hoofdkantoor in een andere lidstaat is gevestigd, diensten verricht ten behoeve van het filiaal en de kosten daarvan toerekent aan het filiaal, een opzichzelfstaande belastingplichtige wanneer het hoofdkantoor deel uitmaakt van een btw-groep in die andere staat terwijl het Zweedse filiaal geen lid is van een Zweedse btw-groep?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: FCE Bank (C-210/04); Skandia America (USA), filial Sverige (C-7/13);

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal;