C-814/18 Ursa Major Services

C-814/18 Ursa Major Services

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 27 februari 2019

Schriftelijke opmerkingen: 13 april 2019

Trefwoorden : Visserij, subsidie

Onderwerp :

- Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds

 

Feiten:

UMS is een 100 procent dochteronderneming van de Nederlandse Vissersbond, een belangenorganisatie voor Nederlandse beroepsvissers. Zij fungeert als projectorganisatie om subsidieprojecten binnen de visserijsector te begeleiden. Een van deze projecten is het project ‘Opschaling testen Seewing in de garnalenvisserij’ (hierna: het project). Het doel is om duurzaam investeringen te bevorderen van de deelnemende Friese garnalenvisserijbedrijven in een nieuw ontwikkeld vistuig, de Seewing. Dit project heeft maximaal 118.056 euro subsidie (60 % van de subsidiabele kosten) gekregen van de minister van LNV. De overige kosten moeten de subsidieontvangers zelf financieren. UMS heeft Visserijbedrijf J. X (hierna: X) bereid gevonden om te investeren. De investering van X zag er als volgt uit: X heeft op de facturen voor de levering van zijn diensten als praktijkdeskundige zijn financiële bijdrage in mindering gebracht. Zo is de vordering van UMS op X verrekend met de vordering van X op UMS vanwege de levering van zijn diensten. UMS heeft op deze wijze lagere bedragen betaald dan de kosten die X heeft gemaakt voor het project. Nadat de minister de subsidie had verleend, heeft hij op aanvraag van UMS een voorschot verleend. UMS heeft de minister later verzocht het overzicht van de begroting en financiering van het project, dat deel uitmaakt van het besluit tot subsidieverlening, aan te passen aan de gewijzigde financiering. De minister heeft dit verzoek afgewezen omdat X (en VCU) geen medeaanvragers en medeontvangers van de subsidie zijn, maar partners. In het besluit waarin de subsidie was toegekend had de minister bepaald dat een bijdrage in de financiering door projectpartners of derden niet kan worden gesubsidieerd omdat deze kosten niet ten laste komen van de subsidieaanvraag. Daarom zou volgens de minister het totale subsidiebedrag lager moeten uitvallen. Ook wijst de minister hier naar artikel 55, lid 1, van Verordening 1198/2006 die zou bepalen dat kosten alleen subsidiabel zijn als de subsidieontvanger ze zelf heeft gemaakt en betaald. UMS heeft hierop beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waardoor uiteindelijk de zaak bij de verwijzende rechter is gekomen.

 

Overweging:

Het College ziet aanleiding om aan het Hof in de eerste plaats de vraag voor te leggen of artikel 55, lid 1,van Verordening 1198/2006 van toepassing is op de verhouding tussen de subsidieverlener, in dit geval de minister, en de subsidieontvanger. Indien artikel 55, lid 1, van Verordening 1198/2006 in die relatie niet van toepassing is omdat deze bepaling alleen de verhouding tussen de Europese Unie en de lidstaat betreft, is voor de subsidiabiliteit van de kosten van dit project (gelet op artikel 55(4) van Verordening 1198/2006: onder het voorbehoud van de bij deze verordening vastgestelde uitzonderingen) de nationale regelgeving van belang. Die nationale regelgeving voorziet niet erin dat kosten niet als subsidiabel worden aangemerkt omdat een derde ze heeft betaald. Hoewel de hierboven geformuleerde vraag wordt gesteld in het kader van de beoordeling van het bestreden besluit over de handhaving van de afwijzing van het verzoek van UMS tot wijziging van de subsidieverlening, zal het antwoord van het Hof ook direct van invloed zijn op de vervolgprocedure over de subsidievaststelling die het College, juist in verband met de onderhavige procedure, heeft aangehouden. Indien het Hof een bevestigend antwoord geeft op de prejudiciële vragen komt ook de vraag op of ook uitgaven die door een derde zijn betaald, kunnen worden aangemerkt als uitgaven die daadwerkelijk door de begunstigde zijn betaald als bedoeld in artikel 55, lid 1, van Verordening 1198/2006. Een complicatie voor het bevestigend beantwoorden van de tweede prejudiciële vraag is dat de subsidialibiteit van de kosten dan afhankelijk is van de wijze van financiering van het project.

 

Prejudiciële vragen:

1. Is artikel 55, lid 1, van Verordening 1198/2006 van toepassing op de verhouding tussen de subsidieverlener, in dit geval de minister, en de begunstigde (de subsidieontvanger)?

2. Ingeval de eerste vraag aldus wordt beantwoord dat artikel 55, lid 1, van Verordening

1198/2006 van toepassing is op de verhouding tussen de subsidieverlener en de begunstigde:

kunnen uitgaven die door een derde (al dan niet door middel van verrekening) zijn betaald worden aangemerkt als uitgaven die daadwerkelijk door de begunstigde zijn betaald als bedoeld in artikel 55, lid 1, van Verordening 1198/2006?

3. Ingeval de tweede vraag aldus wordt beantwoord dat uitgaven die door een derde (al dan niet door middel van verrekening) zijn betaald niet kunnen worden aangemerkt als uitgaven die daadwerkelijk door de begunstigde zijn betaald als bedoeld in artikel 55, lid 1, van Verordening 1198/2006:

(a) betekent een uitvoeringspraktijk waarin de subsidieverlener bijdragen van derden consequent heeft beschouwd als uitgaven die daadwerkelijk door de begunstigde zijn betaald als bedoeld in artikel 55, lid 1, van Verordening 1198/2006 dat van de begunstigde niet kon worden verwacht dat hij deze onjuiste uitleg door de subsidieverlener van artikel 55, lid 1, van Verordening 1198/2006 zou ontdekken, zodat de begunstigde aanspraak kan maken op de subsidie zoals aan hem verleend, en

(b) moeten dan de bijdragen van derden worden gerekend tot de uitgaven die daadwerkelijk

door de begunstigde zijn betaald als bedoeld in artikel 55, lid 1, van Verordening 1198/2006 (in welk geval de subsidie hoger wordt vastgesteld) of

(c) moet dan van terugvordering van de ten onrechte verleende subsidie onder invloed van het

vertrouwensbeginsel en/of het rechtszekerheidsbeginsel worden afgezien?

(d) maakt het daarbij nog verschil wanneer de subsidieverlener daarbij, zoals in de hier aan de orde zijnde zaak, een voorschot op de subsidie heeft verleend?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-684/13, C-516/16

Specifiek beleidsterrein: EZK, LNV

 

​​​​​​​