C-817/19 Ligue des droits humains

Prejudiciële hofzaak    

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     29 januari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     15 maart 2020

Trefwoorden : gegevensbescherming, PNR-gegevens

Onderwerp :

•          Richtlijn (EU) 2016/681 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 over het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en ernstige criminaliteit

•          Richtlijn 2004/82/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verplichting voor vervoerders om passagiersgegevens door te geven.

•          Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 „betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG” (Algemene verordening gegevensbescherming– AVGB).

 

Feiten:

Ter omzetting van richtlijnen 2016/681 en 2004/82/EG heeft de Belgische wetgever de PNR-wet vastgesteld. De PNR-wet verplicht vervoerders van passagiers in verschillende internationale transportsectoren alsook reisoperatoren om de gegevens van hun passagiers door te sturen naar een gegevensbank die wordt beheerd door de FOD Binnenlandse Zaken. De „passagiersgegevensbank” bevat reservatiegegevens en gegevens van de check-in-status en het instappen. Deze gegevens worden met name verwerkt met het oog op het opsporen en vervolgen en de uitvoering van straffen met betrekking tot de in de wet bedoelde strafbare feiten, de preventie van ernstige inbreuken op de openbare veiligheid in het kader van gewelddadige radicalisering, het toezicht op de activiteiten van inlichtingen- en veiligheidsdienst en de verbetering van de controles van personen aan de buitengrenzen en ter bestrijding van illegale immigratie. De wet bepaalt dat de passagiersgegevens in de passagiersgegevensbank worden bewaard gedurende een maximale termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de registratie ervan. Verzoekster ASBL is van mening dat de wet door een aantal onregelmatigheden is aangetast en heeft bij het Grondwettelijk Hof een beroep tot vernietiging ingesteld dat berust op twee middelen. Het eerste middel is in wezen gebaseerd op artikel 23 van verordening 2016/6791, de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest en artikel 8 van het EVRM. Verzoekster stelt dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en in het recht op bescherming van de persoonsgegevens onrechtmatig is omdat zij niet beantwoordt aan de criteria van wettigheid, noodzakelijkheid en evenredigheid. Ten tweede voert zij subsidiair aan dat inbreuk wordt gemaakt op de gecombineerde bepalingen van artikel 3, lid 2, VWEU en artikel 45 van het Handvest. Verzoekster is van mening dat de bestreden bepalingen, door het PNR-systeem uit te breiden tot de vluchten binnen de Europese Unie, indirect de grenscontroles herinvoeren die in strijd zouden zijn met de vrijheid van verkeer van de personen.

 

Overweging:

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het eerste middel vraagt de verwijzende rechter, het Grondwettelijk Hof, zich af of artikel 23 van de AVGB van toepassing is op de PNR-wet. Verder herinnert de verwijzende rechter zich eraan dat een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven niet alleen dient te steunen op een voldoende precieze wettelijke bepaling, maar ook moet beantwoorden aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving en evenredig moet zijn met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. De verwijzende rechter merkt op dat de PNR-wet tot doel heeft de openbare veiligheid te verzekeren door een doorgifte van passagiersgegevens en het gebruik van die gegevens in te voeren in het kader van de strijd tegen terroristische misdrijven en zware grensoverschrijdende criminaliteit. Die doelstellingen vormen doelstellingen van algemeen belang die inmengingen kunnen verantwoorden in het recht op eerbiediging van het privéleven en in het recht op bescherming van persoonsgegevens. De verwijzende rechter onderzoekt voorts of die inmengingen voldoende precies, evenredig met en beperkt zijn tot het „strikt noodzakelijke”, rekening houdend met de omvang van de door de PNR-wet beoogde gegevens, en stelt hier vragen over aan het Hof. Met betrekking tot het tweede middel over de uitbreiding van het PNR-systeem tot de vluchten binnen de Europese Unie waardoor indirect grenscontroles heringevoerd zouden worden, stelt de verwijzende rechter dat het doel om illegale immigratie te bestrijden en de controle aan de grenzen te verbeteren beperkt is tot de API-gegevens. De verwijzende rechter heeft twijfels over de uitlegging van de „API-richtlijn” 2004/82 en de geldigheid ervan vanuit het oogpunt van het Handvest en het VWEU en legt dit ook voor aan het Hof. Ten slotte stelt de verwijzende rechter een laatste vraag over de eventuele regeling van de gevolgen van zijn arrest in de tijd.

 

Prejudiciële vragen:

1) Dient artikel 23 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 „betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG” (Algemene verordening gegevens – AVG), in samenhang gelezen met artikel 2, lid 2, d), van die verordening, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het van toepassing is op een nationale wetgeving zoals de wet van 25 december 2016 „betreffende de verwerking van passagiersgegevens”, die niet enkel de richtlijn (EU) 2016/681 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 „over het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en ernstige criminaliteit” omzet, alsook de richtlijn 2004/82/EG van de Raad van 29 april 2004 „betreffende de verplichting voor vervoerders om passagiersgegevens door te geven” en de richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 „betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten en tot intrekking van Richtlijn 2002/6/EG”?

2) Is bijlage I van de richtlijn (EU) 2016/681 bestaanbaar met de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in die zin dat de erin opgesomde gegevens zeer ruim zijn - onder meer de gegevens die worden beoogd in punt 18 van bijlage I van de richtlijn (EU) 2016/681, die verder gaan dan de gegevens beoogd in artikel 3, lid 2, van de richtlijn 2004/82/EG – en doordat die gegevens, in hun geheel beschouwd, gevoelige gegevens zouden kunnen onthullen, en aldus de grenzen van het „strikt noodzakelijke” zou kunnen overschrijden?

3) Zijn de punten 12 en 18 van bijlage I bij de richtlijn (EU) 2016/681 bestaanbaar met de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre, rekening houdend met de bewoordingen „onder meer” en „met inbegrip van”, de erin beoogde gegevens bij wijze van voorbeeld en niet exhaustief worden vermeld, zodat de vereiste van nauwkeurigheid en duidelijkheid van de regels die leiden tot een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en in het recht op bescherming van de persoonsgegevens niet in acht zou zijn genomen?

4) Zijn artikel 3, punt 4, van de richtlijn 2016/681/EU en bijlage I bij dezelfde richtlijn bestaanbaar met de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre het systeem van het algemeen verzamelen, doorgeven en verwerken van passagiersgegevens dat die bepalingen instellen, iedere persoon beoogt die het desbetreffende vervoersmiddel gebruikt, los van elk objectief element dat het mogelijk maakt ervan uit te gaan dat die persoon een risico voor de openbare veiligheid kan vormen?

5) Dient artikel 6 van de richtlijn (EU) 2016/681, in samenhang gelezen met de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wetgeving zoals de bestreden wet, die, als doel van de „PNR-gegevensverwerking”, het toezien op door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten beoogde activiteiten aanvaardt, waarbij het dat doel aldus opneemt in het voorkomen, het opsporen, het onderzoeken en het vervolgen van terroristische misdrijven en ernstige criminaliteit?

6) Is artikel 6 van de richtlijn (EU) 2016/681 bestaanbaar met de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in  zoverre de voorafgaande beoordeling die daarin wordt geregeld, door een

correlatie met de gegevensbanken en de vooraf bepaalde criteria, stelselmatig en op algemene wijze van toepassing is op de passagiersgegevens, los van elk objectief element dat toelaat ervan uit te gaan dat die passagiers een risico kunnen vormen voor de openbare veiligheid?

7) Kan het begrip „andere bevoegde nationale instantie” bepaald in artikel 12, lid 3, van de richtlijn (EU) 2016/681 zo worden geïnterpreteerd dat het de PIE beoogt die bij de wet van 25 december 2016 is opgericht en die derhalve de toegang tot de „PNR-gegevens”, na een termijn van zes maanden, in het kader van de gerichte opzoekingen zou kunnen toestaan?

8) Dient artikel 12 van de richtlijn (EU) 2016/681, in samenhang gelezen met de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zo te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen een nationale wetgeving zoals de bestreden wet die voorziet in een algemene bewaartermijn van de gegevens van vijf jaar, zonder onderscheid of de betrokken passagiers, in het kader van de voorafgaande beoordeling, al dan niet een risico kunnen vormen voor de openbare veiligheid?

9. a) Is de richtlijn 2004/82/EG bestaanbaar met artikel 3, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en met artikel 45 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre de daarbij ingevoerde verplichtingen van toepassing zijn op de vluchten binnen de Europese Unie?

b) Dient de richtlijn 2004/82/EG, in samenhang gelezen met artikel 3, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en met artikel 45 van het Verdrag betreffende de grondrechten van de Europese Unie, zo te worden geïnterpreteerd dat zij zich verzet tegen een nationale wetgeving zoals de bestreden wet die, met het oog op de strijd tegen illegale immigratie en het verbeteren van de grenscontroles, een systeem toestaat voor de verzameling en verwerking van de passagiersgegevens „van, naar en op doorreis over het nationaal grondgebied”, hetgeen indirect een herinvoering van de controles aan de binnengrenzen zou kunnen impliceren?

10) Zou het Grondwettelijk Hof, indien het op grond van de antwoorden op de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen, tot de conclusie zou komen dat de bestreden wet, die met name de richtlijn (EU) 2016/681 omzet, één of meer van de uit de in die vragen vermelde bepalingen voortvloeiende verplichtingen schendt, de gevolgen van de wet van 25 december 2016 „betreffende de verwerking van passagiersgegevens” tijdelijk kunnen handhaven teneinde rechtsonzekerheid te voorkomen en het mogelijk te maken dat de voorheen verzamelde en bewaarde gegevens alsnog kunnen worden gebruikt voor de door de wet beoogde doelstellingen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:, (C-362/14), (C-203/15 en C-698/15), advies 1/15 (PNR-overeenkomst EU-Canada), Digital Rights e.a. (C-293/12 en C-594/12)

Specifiek beleidsterrein: JenV