C-819/19 Stichting Cartel Compensation e.a.

Prejudiciële hofzaak   

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     1 januari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     18 februari 2020

Trefwoorden : mededinging, bevoegdheid rechtbank, rechtstreekse werking

Onderwerp :

•          Verordening (EEG) nr. 17 van de Raad over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag.

•          Verordening (EEG) nr. 141 van de Raad houdende niet- toepassing op de vervoersector van Verordening Nr. 17 van de Raad

•          Verordening (EEG) n r. 3975/87 van de Raad van 14 december 1987 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de mededingingsregels op ondernemingen in de sector luchtvervoer

•          Verordening (EEG) nr. 1/2003 van de Raad betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het EG-Verdrag

•          De op 1 januari 1994 inwerking getreden EER-overeenkomst

•          De op 1 juni 2002 inwerking getreden EUZO

 

Feiten:

SCC, een Nederlandse stichting, en Equilib, een vennootschap naar Frans recht, zijn speciaal opgericht om schadevergoedingsvorderingen die zijn ontstaan door mededingingsrechtelijke inbreuken in rechte te verhalen. In documenten van diverse mededingingsautoriteiten is opgenomen dat door betrokken kartelleden hun deelname aan het kartel is erkend en dat tussen de kartelleden, waaronder (volgens SCC en Equilib) de luchtvaartmaatschappijen, concurrentiebeperkende afspraken zijn gemaakt met betrekking tot vrachtvervoer dat door de kartelleden wereldwijd werd verzorgd in de kartelperiode, in ieder geval in de periode 2000 - 2006. In een persbericht heeft de Commissie opgenomen dat zij in haar besluit van 17-03-2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de EER en artikel 8 van de EUZO heeft geoordeeld dat in de eerdergenoemde periode sprake was van een internationaal kartel en dat zij aan de betrokken luchtvaartmaatschappijen geldboetes heeft opgelegd. De in het besluit genoemde brandstoftoeslagen, veiligheidstoeslagen en de over die toeslagen betaalde commissie zijn, zo stellen SCC en Equilib, aan de afzenders van goederen die luchtvrachtdiensten hebben afgenomen (shippers) in rekening gebracht via expediteurs. SCC en Equilib vorderen o.a. te verklaren voor recht dat de luchtvaartmaatschappijen hierdoor onrechtmatig hebben gehandeld jegens de shippers  en, hoofdelijke veroordeling van de luchtvaartmaatschappijen tot betaling van schadevergoeding. De kernvraag die in dit vonnis voorligt, is of de rechtbank bevoegd is om in een civiele procedure tussen private partijen vast te stellen dat sprake is van een inbreuk op de Europese mededingingsregels, met name een inbreuk op het verbod van artikel 101 VWEU, en schadevergoeding toe te kennen aan benadeelde partijen voor vluchten die plaatsvonden vóór 01-05-2004 respectievelijk 19-05-2005, in de periode dat het overgangsregime van de artikelen 104 en 105 VWEU gold voor deze vluchten. SCC en Equilib stellen, samengevat, primair dat het kartelverbod van artikel 101 VWEU gedurende de gehele kartelperiode rechtstreekse horizontale werking had, zodat de rechtbank bevoegd is dit verbod ook toe te passen op de vluchten in de relevante periodes. De luchtvaartmaatschappijen betwisten dat artikel 101 lid 1 VWEU rechtstreekse horizontale werking heeft. De rechtbank is niet bevoegd om die bepaling toe te passen omdat een voorafgaand besluit van de Commissie of van de nationale autoriteiten als bedoeld in de artikelen 104 en 105 VWEU in het onderhavige geval ontbreekt. Dit werd ook geoordeeld door de Engelse High Court en het Court of Appeal in de Emeraldprocedure.

 

Overweging:

Over de beantwoording van de vraag of de rechtbank bevoegd is wordt verschillend gedacht. luchtvaartmaatschappijen, Justice Rosé en het Court of Appeal van Engeland en Wales beantwoorden de vraag aan de hand van de jurisprudentie van het Hof ontkennend, terwijl SCC en Equilib hem op basis van dezelfde jurisprudentie bevestigend beantwoorden. In het arrest BRT/SABAM heeft het Hof als uitgangspunt vastgelegd dat het verbod van de artikelen 101 lid 1 en 102 VWEU naar zijn aard rechtstreekse gevolgen kan hebben in de rechtsbetrekkingen tussen particulieren en dat die artikelen dus rechtstreekse rechten voor justitiabelen doen ontstaan die de nationale rechter dient te handhaven. Uit de arresten Asjes en Ahmed Saeed volgt dat het Hof een beperking van de bevoegdheid van de nationale civiele rechter slechts aanvaardt in het geval dat een ontheffing op grond van artikel 101 lid 3 VWEU nog tot de mogelijkheden behoort, over welke ontheffing de bevoegd verklaarde instanties krachtens uitvoeringsbepalingen beslissen. De rechtbank stelt dat de nationale rechter overeenkomsten of gedragingen aan artikel 101 VWEU kan en moet toetsen wanneer over de toepasbaarheid van artikel 101 lid 3 VWEU geen discussie meer bestaat. Deze situatie doet zich in het onderhavige geval voor. Onbetwist staat immers vast dat de luchtvaartmaatschappijen in de relevante (kartel)periode geen ontheffing hebben gevraagd bij de nationale autoriteiten of de Commissie en dat zij die ontheffing nu niet meer bij deze instanties kunnen aanvragen. Dit betekent dat er in het onderhavige geval geen sprake meer kan zijn van tegenstrijdige beslissingen en dus van rechtsonzekerheid. De stelling van de luchtvaartmaatschappijen dat een voorafgaand besluit van de nationale autoriteit of van de Commissie een voorwaarde zou zijn voor toepassing van artikel 101 lid 1 VWEU door de nationale rechter, wordt naar het oordeel van de rechtbank niet ondersteund door de rechtspraak van het Hof. De redenering van de luchtvaartmaatschappijen zou tot gevolg hebben dat de enkele vaststelling dat een dergelijke ‘activeringshandeling’ ontbreekt, betekent dat de nationale rechter nooit bevoegd zou zijn tot toepassing van artikel 101 VWEU. De rechtbank constateert dat haar oordeel in het tussenvonnis afwijkt van het oordeel van Justice Rosé in haar uitspraak van 04-10-2017 in de Emeraldprocedure. Met het oog op de doelstelling van het VWEU om eenvormige toepassing van het VWEU te waarborgen acht de rechtbank bij deze stand van zaken het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof noodzakelijk voor het wijzen van haar vonnis.

 

Prejudiciële vragen:

Is de nationale rechter in een geschil tussen benadeelde partijen (in dit geval de shippers, afnemers van luchtvrachtdiensten) en luchtvaartmaatschappijen bevoegd - hetzij vanwege de rechtstreekse werking van artikel 101 VWEU, althans artikel 53 EER-overeenkomst, hetzij op grond van (de onmiddellijke werking van) artikel 6 Verordening 1/2003 - om artikel 101 VWEU, althans artikel 53 EER-overeenkomst in volle omvang toe te passen met betrekking tot afspraken/onderling feitelijk afgestemde gedragingen van de luchtvaartmaatschappijen ten aanzien van vrachtdiensten op vluchten die zijn uitgevoerd vóór 1 mei 2004 op routes tussen luchthavens binnen de EU en luchthavens buiten de EER, respectievelijk vóór 19 mei 2005 op routes tussen IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en luchthavens buiten de EER, respectievelijk op vluchten die zijn uit gevoerd vóór 1 juni 2002 tussen luchthavens binnen de EU en Zwitserland, ook voor de periode dat het overgangsregime van de artikelen 104 en 105 VWEU gold, of staat het overgangsregime daaraan in de weg?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-127/73), (C-209/84 –C- 213/84), (C-66/86), 

Specifiek beleidsterrein: IenW, EZK