C-825/19 Beeren-, Wild, Feinfrucht

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    2 januari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                    19 februari 2020

Trefwoorden : vergunning met terugwerkende kracht;

Onderwerp :

•          Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie;

•          verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92;

 

Feiten:

Verzoekster beschikte tot en met 31.12.2012 voor de invoer van paddenstoelen over een geldige vergunning voor het in vrij verkeer brengen van niet-Uniegoederen met een bijzondere bestemming. Een verzoek tot verlenging van de vergunning, een zogenoemde ‘’opvolgende vergunning’ bleef achterwege vanwege gebrek aan kennis. Dit verzuim werd geconstateerd gedurende een bedrijfscontrole. Dientengevolge vroeg verzoekster op 09.01.2015 om verlening van een opvolgende vergunning. Verweerder verleende deze op 14.01.2015 slechts tot het tijdstip van het indienen van de aanvraag. De terugwerkende kracht tot het moment van afloop van de voorafgaande vergunning werd afgewezen. Bij schrijven van 22.04.2015, waarin verzoekster aandacht vroeg voor haar economisch gespannen situatie ten gevolge van een lopende sanering, vroeg zij nogmaals een vergunning aan met terugwerkende kracht tot het moment van afloop van de voorafgaande vergunning. Dit verzoek werd door verweerder afgewezen. Verzoekster stelde bezwaar in tegen dit besluit. Verweerder wees dit bezwaar af. Hiertegen stelde verzoekster beroep in bij de verwijzende rechter.

 

Overweging:

De verwijzende rechter heeft twijfels over de toepassing van het Unierecht op de onderhavige zaak. Als eerst wil hij weten of artikel 211 DWU slechts van toepassing is op het verlenen van vergunning die met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2016 zou gelden. Als die vraag ontkennend wordt beantwoord wil hij weten of dit artikel dan alleen van toepassing is als de vergunning weliswaar voor 1 mei 2016 is aangevraagd, maar deze pas is afgewezen na die datum. Als deze vraag ook ontkennend wordt beantwoord is de vraag nog of artikel 211 ook van toepassing is als de afwijzing ook plaats vond voor 1 mei 2016. Als de eerste en tweede vraag juist bevestigend worden beantwoord wil de verwijzende rechter als laatst weten of artikel 294, lid 2, van de uitvoeringsverordening zo moet worden uitgelegd dat een vergunning met terugwerkende kracht maximaal voor een periode van terugwerking van één jaar mag worden verleend, economische noodzaak moet zijn bewezen en poging tot misleiding of kennelijke nalatigheid uitgesloten moet zijn.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 211, lid 2, van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie – DWU – (PB 2013, L 269, blz. 1) aldus worden uitgelegd dat dit artikel alleen van toepassing is op aanvragen voor de verlening van een vergunning die met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2016 zou gelden?

2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 211 DWU bij aanvragen voor een vergunning met terugwerkende kracht waarvan het geldigheidstijdvak vóór 1 mei 2016 ligt, alleen dan worden toegepast wanneer de vergunning met terugwerkende kracht weliswaar vóór de inwerkingtreding van het nieuwe recht werd aangevraagd, maar de douaneautoriteiten dergelijke aanvragen pas voor het eerst na 1 mei 2016 hebben afgewezen?

3) Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 211 DWU bij aanvragen voor een vergunning met terugwerkende kracht waarvan het geldigheidstijdvak vóór 1 mei 2016 ligt, ook worden toegepast wanneer de douaneautoriteiten dergelijke aanvragen reeds vóór 1 mei 2016 en ook daarna (met een andere motivering) hebben afgewezen?

4) Indien de eerste en de tweede vraag bevestigend worden beantwoord en de derde vraag ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 294, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 – hierna: „uitvoeringsverordening” – (PB 1993, L 253, blz. 1) aldus worden uitgelegd dat

a)         een vergunning met terugwerkende kracht vanaf de datum waarop de geldigheidsduur van de oorspronkelijke vergunning is verstreken, zoals voorzien in lid 3 van de bepaling, maximaal voor een periode van terugwerking van één jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag kon worden verleend en

b)         ook bij de opvolgende vergunning overeenkomstig lid 2 de in lid 3 van de bepaling genoemde economische noodzaak moet zijn bewezen en poging tot misleiding of kennelijke nalatigheid uitgesloten moet zijn?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-293/04); Sportgoods (C-413/96); Kaufring e.a./Commissie (T-186/97); Mlenbergnatie (C-201/04); Meridionale Industria Salumi e.a. (C-212/80 tot en met 217/80); CT Control en JCT Benelux/Commissie (C-121/91 en C-122/91);

Specifiek beleidsterrein: FIN; EZK;