C-827/19 Ryanair

Prejudiciële hofzaak          

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     6 januari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     23 februari 2020

Trefwoorden : compensatie luchtreizigers; staking

Onderwerp :

Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91.

 

Feiten:

De zestien appellanten in het hoofdgeding kochten via de webpagina van Ryanair retourtickets Porto-Carcassonne. Toen zij zich op de luchthaven van Carcassonne meldden om de terugvlucht te nemen, werden zij geïnformeerd dat die vlucht geannuleerd was wegens een staking van het cabinepersoneel van de luchtvaartmaatschappij. De maatschappij bood de passagiers aan om de volgende dag een Ryanairvlucht te nemen vanaf de luchthaven van Toulouse naar Madrid. De passagiers dienden een vordering in bij de rechter in eerste aanleg aangezien zij noch vervoer naar de luchthaven van Toulouse en vanuit Madrid naar Vigo, noch maaltijden of verblijf aangeboden kregen. In haar verweerschrift stemde de luchtvaartmaatschappij in met de betaling van de vervoers- en onderhoudskosten die de passagiers vorderden, maar weigerde zij compensatie te betalen voor de annulering van de vlucht. Zij voerde daartoe aan dat de reden van de annulering de staking van haar cabinepersoneel was, en dat zij daarop geen invloed kon uitoefenen. Bij vonnis in eerste aanleg werd de eis gedeeltelijk toegewezen. Daarbij werd de luchtvaartmaatschappij veroordeeld tot betaling van 1 216,59 EUR en werd de eis tot betaling van compensatie voor de annulering van de vlucht volledig afgewezen op grond dat de uitoefening van het stakingsrecht door de bemanningsleden een buitengewone omstandigheid is die onvoorzienbaar en onvermijdelijk is aangezien het wettelijk gesproken niet mogelijk is om de stakende werknemers te vervangen. Hiertegen zijn de passagiers in beroep gegaan. Zij voeren aan dat de eisen van de werknemers van de maatschappij behoren tot de sfeer van haar normale activiteit, waardoor het niet om buitengewone omstandigheden kan gaan die haar vrijstellen van de plicht om de passagiers te compenseren.

 

Overweging:

De verwijzende rechter verwijst in algemene bewoordingen naar het arrest C-315/17, waarin het Hof vaststelt dat als buitengewone omstandigheden kunnen worden aangemerkt „gebeurtenissen die vanwege hun aard of oorsprong niet inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteiten van de betrokken luchtvaartmaatschappij en waarop laatstgenoemde geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen”. Het loutere bestaan van buitengewone omstandigheden is echter niet voldoende; de luchtvaartmaatschappij dient ook te staven dat dergelijke omstandigheden niet voorkomen hadden kunnen worden, ook al zou zij alle redelijke maatregelen hebben getroffen. Verder stelt de verwijzende rechter dat uit het arrest TUIfly volgt dat de spontane afwezigheid van een belangrijk deel van het vliegend personeel, zoals die zich in die zaak voordeed, niet valt onder het begrip „buitengewone omstandigheden” in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening 261/2004. De verwijzende rechter wijst echter op de verschillen tussen onderhavige zaak en de situatie naar aanleiding waarvan het arrest in de zaak TUIfly is gewezen, namelijk dat in laatstgenoemde zaak de luchtvaartmaatschappij onverwachts herstructureringsmaatregelen had aangekondigd en dat de werkonderbrekingen niet van tevoren waren aangekondigd, waardoor de situatie werd aangemerkt als een „wilde staking.” De werkonderbrekingen in onderhavige zaak hadden hun oorsprong daarentegen niet in een eerder door de werkgever vastgestelde wijziging van de werkomstandigheden. Het betroffen algemene eisen van werknemersorganisaties ter verbetering van de arbeidsomstandigheden in het kader van een staking die door een vakbond werd aangekondigd. Gelet op deze verschillen twijfelt de verwijzende rechter of de legitieme uitoefening van het aan de werknemers toekomende stakingsrecht tot de normale invloedssfeer van de werkgever behoort.

 

Prejudiciële vragen:

1) Kan de uitoefening van het stakingsrecht door het personeel van een luchtvaartmaatschappij als een „buitengewone omstandigheid” in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 worden beschouwd wanneer tot de staking is opgeroepen door een vakbond teneinde betere arbeidsomstandigheden af te dwingen – dat wil zeggen wanneer zij niet is uitgelokt door een eerdere beslissing van de werkgever, maar is ingegeven door de eisen van de werknemers, – of gaat het daarentegen om een omstandigheid die inherent is aan de uitoefening van de activiteit van de luchtvaartmaatschappij?

2) Is de luchtvaartmaatschappij onder omstandigheden als in dit geding aan de orde verplicht om een wettelijk toelaatbare maatregel te treffen, zoals de passagiers vluchten aanbieden van maatschappijen die niet door de staking worden getroffen, ook indien zij voldoende op voorhand, zoals wettelijk vereist, over de staking is geïnformeerd?

3) Is bij de beoordeling of een staking van het cabinepersoneel van de luchtvaartmaatschappij een „buitengewone omstandigheid” in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 is, relevant op welke wijze die staking wordt afgelast, met name wanneer de afgelasting het gevolg is van wederzijdse concessies van de conflicterende partijen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: TUIfly (C-195/17), (C-315/15),

Specifiek beleidsterrein: IenW