C-836/19 Toropet

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     17 februari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     3 april 2020

Trefwoorden : diervoeder, consumptie, voedingsmiddelen

Onderwerp :

•          Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1774/2002.

•          Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn.

 

Feiten:

Verzoekster verwerkt dierlijke bijproducten en handelt daarin. Klanten zijn onder andere producenten van diervoeders, gebruikers van dierlijke vetten en biogasinstallaties. Het materiaal waar het in het hoofdgeding om gaat, verkeerde volgens de vaststellingen van de verwijzende rechter in staat van ontbinding en was beschimmeld, respectievelijk met productvreemde elementen vermengd. Verweerder heeft het materiaal ingedeeld in categorie 2. Aangezien verzoekster alleen is geregistreerd als intermediair categorie 3-bedrijf, heeft verweerder de verwijdering van het afgekeurde materiaal gelast, hetgeen hij om verschillende redenen zelf heeft uitgevoerd. Voorwerp van het hoofdgeding is de beschikking waarmee verweerder het gelasten van de verwijdering van het afgekeurde materiaal heeft bevestigd. De verwijzende rechter moet beoordelen of deze bestuurshandeling onrechtmatig is en of de rechten van verzoekster zijn geschonden. Hij moet daarbij met name nagaan of verweerder het afgekeurde materiaal ten onrechte heeft ingedeeld in categorie 2. Volgens verzoekster leiden noch ontbinding en bederf, noch de aanwezigheid van productvreemde elementen automatisch tot een herindeling in categorie 2.

 

Overweging:

In het onderhavige geval rijst de vraag of materiaal dat oorspronkelijk geschikt was voor consumptie en respectievelijk geen risico vormde voor de gezondheid, op grond van ontbinding en schimmels, niet meer in categorie 3, maar in een slechtere categorie moet worden ingedeeld. Indien het niet gaat om categorie 3-materiaal en evenmin om categorie 1- materiaal, dan moeten de dierlijke bijproducten in categorie 2 worden ingedeeld. Verder stelt de verwijzende rechter dat materiaal welke op grond van de aanwezigheid van productvreemde elementen ongeschikt voor menselijke consumptie is verklaard, overeenkomstig artikel 9, onder d), van verordening 1069/2009 in categorie 2 moet worden ingedeeld. Evenwel kan uit bijlage IV, hoofdstuk I, afdeling 4, punt 3, bij verordening 142/2011 worden afgeleid dat niet elke aanwezigheid van productvreemde elementen, zoals bijvoorbeeld verpakkingsmateriaal of metaal, ertoe leidt dat dat materiaal al moet worden ingedeeld als categorie 2-materiaal. De verwijzende rechter vraagt zich derhalve af of vermengd materiaal alleen in categorie 2 kan worden ingedeeld wanneer het gaat om te verwerken materiaal dat bestemd is als diervoeder.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 10, onder a), van verordening nr. 1069/2009 aldus worden uitgelegd dat de oorspronkelijke indeling als categorie 3-materiaal verloren gaat, wanneer door ontbinding en bederf de geschiktheid voor consumptie vervalt?

2) Moet artikel 10, onder f), van verordening nr. 1069/2009 aldus worden uitgelegd dat de oorspronkelijke indeling als categorie 3-materiaal verloren gaat voor producten van dierlijke oorsprong of voedingsmiddelen die producten van dierlijke oorsprong bevatten, wanneer door ontbinding respectievelijk bederf van het materiaal op een later tijdstip, een risico voor de volksgezondheid of de diergezondheid ontstaat?

3) Moet de regeling van artikel 9, onder d), van verordening nr. 1069/2009 in beperkende zin aldus worden uitgelegd dat met productvreemde elementen, zoals zaagsel, vermengd materiaal alleen als categorie 2-materiaal kan worden ingedeeld, wanneer het gaat om te verwerken materiaal dat bestemd is als diervoeder?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: LNV