C-840/19 Parchetul de pe lângă Înalta Curte de Casaţie şi Justiţie

Prejudiciële hofzaak   

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     7 januari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     29 januari 2020

Trefwoorden : rechtsstaat; fraude; benoeming rechters

Onderwerp :

Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt

 

Feiten:

Bij strafvonnis van 26-05-2017, gewezen door een kamer van drie rechters van de afdeling Strafrecht van de hoogste rechterlijke instantie van Roemenië (ÎCCJ), is beklaagde N.C. (voormalig parlementslid en minister) in eerste aanleg veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens corruptie met Europese middelen. De beklaagde en het openbaar ministerie hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de kamer van vijf rechters van de afdeling Strafrecht bij de ÎCCJ. Bij arrest van 28-06-2018 is het hoger beroep gedeeltelijk toegewezen en de maatregel tot beslaglegging op het bedrag van 30 000 EUR nietig verklaard, maar de veroordeling tot vier jaar gevangenisstraf gehandhaafd. Nadat dit arrest onherroepelijk was geworden, werd arrest nr. 685/2018 van het grondwettelijk Hof van Roemenië (CCR) bekendgemaakt, waarbij de CCR een rechtsconflict van constitutionele aard heeft vastgesteld tussen het Parlement enerzijds en de ÎCCJ anderzijds, als gevolg van het feit dat slechts 4 van de 5 leden van de kamers van vijf rechters door loting waren aangewezen. Na de bekendmaking hiervan hebben de beklaagde en het openbaar ministerie een buitengewoon beroep tot vernietiging van het vonnis ingesteld. Bij vonnissen van respectievelijk 25-02-2019 en 20-05-2019 heeft de kamer van 5 rechters van de ÎCCJ de beroepen tot vernietiging toegewezen, het vonnis van 28-06-2018 volledig vernietigd en een nieuwe behandeling gelast van de hogere beroepen die de beklaagde en het openbaar ministerie hadden ingesteld tegen het strafvonnis van 26-05-2017. Tijdens de nieuwe behandeling van die hogere beroepen – die nu opnieuw aanhangig zijn bij de verwijzende rechter – heeft de CCR arrest nr. 417/2019 gewezen, waarin zij nog een ander constitutioneel conflict heeft vastgesteld tussen het Parlement en de ÎCCJ, doordat de ÎCCJ geen gespecialiseerde kamers had ingesteld voor de behandeling van corruptiemisdrijven in eerste aanleg. Volgens dit arrest moeten de zaken die de ÎCCJ in eerste aanleg heeft beslecht vóór 23-01-2019 (toen er gespecialiseerde kamers zijn ingesteld), in eerste aanleg opnieuw worden beoordeeld door gespecialiseerde kamers, voor zover de beslissingen niet definitief zijn geworden.

 

Overweging:

Wat de eerste vraag betreft, merkt de verwijzende rechter op dat de lidstaten in het licht van artikel 325, lid 1, VWEU, doeltreffende en afschrikkende maatregelen moeten nemen om onrechtmatige activiteiten te bestrijden die de financiële belangen van de Unie schaden. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moeten de lidstaten de nodige wetgevende maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de procedureregels die van toepassing zijn op strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, geen systemisch risico van straffeloosheid van die feiten opleveren. In deze context is de verwijzende rechter van oordeel dat het antwoord van het Hof op de eerste vraag noodzakelijk is, aangezien het nieuwe onderzoek dat is opgelegd door de CCR – een instantie buiten de rechterlijke macht – de toepassing van doeltreffende en afschrikkende strafsancties binnen een redelijke termijn verhindert, in zaken die betrekking hebben op onrechtmatige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Wat de tweede vraag betreft, wenst de verwijzende rechter te vernemen of het begrip rechtsstaat in de zin van artikel 2 VEU verenigbaar is met een ingreep in de rechtsgang zoals die welke is gedaan met arrest nr. 417/2019 van de CCR. Volgens de verwijzende rechter is de CCR, hoewel haar belang voor de rechtsstaat en het respect dat haar beslissingen toekomt boven elke twijfel zijn verheven, geen rechterlijke instantie en heeft zij geen rechtsprekende bevoegdheden. Volgens de verwijzende rechter voldeden alle rechters van de strafkamers van de ÎCCJ bij hun aantreden aan de voorwaarde van specialisatie in berechting van alle strafzaken, ongeacht het voorwerp ervan. Wat de derde vraag betreft, is de uitlegging van het Hof van Justitie noodzakelijk om te verduidelijken of de beslissing van de CCR deel uitmaakt van de categorie beslissingen die ter verzekering van de volle werking van het Unierecht buiten toepassing kunnen en moeten worden gelaten, in het bijzonder nu de rechter die dat zou doen krachtens een nationale regel bloot zou staan aan tuchtrechtelijke sancties.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moeten artikel 19, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 325, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 4 van richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt, vastgesteld op grond van artikel 83, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een beslissing van een orgaan dat geen deel uitmaakt van de rechterlijke macht, de Curte Constituțională (grondwettelijk hof, Roemenië), waarbij wordt bepaald dat de gedurende een vastgestelde periode besliste corruptiezaken die zich in de fase van hoger beroep bevinden voor een nieuwe behandeling dienen te worden terugverwezen op grond van het feit dat bij de hoogste rechterlijke instantie geen in corruptie gespecialiseerde kamers zijn gevormd, terwijl de Curte Constituțională de specialisatie van de rechters in die kamers wel erkent?

2) Moeten artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 47[, tweede alinea,] van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een orgaan buiten de rechterlijke macht vaststelt dat de rechterlijke kamers van een afdeling van de hoogste rechterlijke instantie (kamers die zijn samengesteld uit rechters in functie, die op het moment van hun bevordering beschikten over de voor bevordering naar de hoogste rechterlijke instantie vereiste specialisatie) onwettig zijn samengesteld?

3) Moet de voorrang van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter een volgens het nationaal recht bindende beslissing van de constitutionele rechter, uitgesproken in een zaak betreffende een grondwettelijk geschil, buiten toepassing mag laten?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-105/14) Commissie/Polen (C-619/18) LM (C-216/18), Associação Sindical dos Juízes Portugueses  (C-64/16) (C-506/04) (C-503/15), (106/77) (C-188/10 en C-189/10)

Specifiek beleidsterrein: JenV