C-846/19 Administration de l'Enregistrement, des Domaines et de la TVA

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     27 januari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     13 maart 2020

Trefwoorden : diensten, BTW, economische activiteit

Onderwerp :

Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw-richtlijn).

 

Feiten:

Verzoeker, EQ, is advocaat in Luxemburg en oefent sinds 2004 mandaten uit krachtens de regelingen ter bescherming van handelingsonbekwame meerderjarigen. De mandaten worden ingesteld door een rechter voor bewind- en voogdijzaken, die de mandataris een vergoeding kan toekennen, waarvan hij het bedrag of de berekeningswijze vaststelt, rekening houdend met de vermogenstoestand van de handelingsonbekwame persoon. Tot in 2013 was de verweerder, de belastingdienst, van mening dat deze activiteit niet was onderworpen aan de btw. Met twee belastingaanslagen van 19-01-2018 heeft de belastingdienst deze activiteiten daarna wel aan de btw onderworpen en van EQ meer dan 70 000 EUR aan btw gevorderd voor 2014 en 2015. EQ betwist deze btw-naheffingsaanslagen en stelt dat de betrokken diensten geen aan btw onderworpen economische activiteiten zijn. Volgens EQ is de voor het mandaat betaalde „vergoeding” van een andere aard dan het „honorarium” van een advocaat. Deze tegenprestatie voor het mandaat is een forfaitaire vergoeding, die niet overeenstemt met de werkelijke waarde van de verrichte diensten en daarom niet binnen de werkingssfeer van de btw valt. EQ verzoekt om minstens een vrijstelling van btw. Hij zet uiteen dat de mandatarissen die diensten verrichten met betrekking tot de bescherming van handelingsonbekwame meerderjarigen, een sociale functie vervullen De belastingdienst geeft aan dat het btw-stelsel niet vereist dat de ontvangen prijs overeenkomt met de economische waarde van de verrichte dienst. Het volstaat dat een gewoon verband tussen de prijs en de dienst bestaat, zonder dat de prijs evenredig hoeft te zijn aan de waarde van de dienst.

 

Overweging:

De verwijzende rechter stelt allereerst vast dat het begrip „werkelijke tegenwaarde” een tegenwaarde vereist, maar dat het bedrag ervan of de financiële correlatie ervan met de verrichte dienst niet van belang zijn. Er zijn volgens de verwijzende rechter wel twee andere elementen die twijfels oproepen in de onderhavige zaak.  Wat de rechtsbetrekking betreft in het kader waarvan de dienst wordt verricht, twijfelt de verwijzende rechter over de draagwijdte in casu van de beoordeling van het Hof volgens welke “een dienst slechts belastbaar is wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat in het kader waarvan over en weer prestaties worden uitgewisseld”, aangezien de beschermingsregeling voor meerderjarigen wordt gekenmerkt door een driehoeksverhouding tussen de dienstverrichter, de ontvanger van de diensten en de rechterlijke autoriteit die de dienstverrichter met een beheerstaak heeft belast. Wat het bedrag van de financiële vergoeding betreft, wijst de verwijzende rechter erop dat dit bedrag, volgens de rechtspraak van het Hof, voorzienbaar moet zijn en de bedrijfskosten van de dienstverrichter moet kunnen dekken. De verwijzende rechter twijfelt over de strekking van deze voorwaarden in het licht van de regels voor de vaststelling van de vergoeding van de dienstverrichter die werkzaam is op het gebied van bescherming van meerderjarigen. Met betrekking tot de toepassing van de vrijstellingsregeling vraagt de verwijzende rechter zich af of de activiteit onder het begrip „sociale zekerheid of maatschappelijk werk” in de zin van de btw-richtlijn valt en wat er precies moet worden verstaan onder de „organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend”. Ten slotte rijst de vraag of in de onderhavige zaak in strijd wordt gehandeld met het beginsel van gewettigd vertrouwen, aangezien de belastingplichtige zich in een situatie bevindt waarin hij de btw niet heeft kunnen factureren aan de ontvanger van de diensten, terwijl hij deze btw wel aan de staat moet afdragen.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moet het begrip „economische activiteit” in de zin van artikel 9, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde

waarde aldus worden uitgelegd dat dit begrip mede ziet of juist niet ziet op diensten die worden verricht in het kader van een driehoeksverhouding, waarbij de dienstverrichter met deze diensten wordt belast door een entiteit die niet dezelfde is als de ontvanger van de diensten?

2) Verschilt het antwoord op de eerste vraag naargelang de diensten al dan niet in het kader van een opdracht van een onafhankelijke rechterlijke autoriteit worden verricht?

3) Verschilt het antwoord op de eerste vraag naargelang de vergoeding van de dienstverrichter ten laste van de ontvanger van de diensten komt dan wel wordt gedragen door de staat waaraan de entiteit die de dienstverrichter met deze diensten heeft belast, haar gezag ontleent?

4) Moet het begrip „economische activiteit” in de zin van artikel 9, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2006/112/EG aldus worden uitgelegd dat dit begrip mede ziet op of juist niet ziet op diensten wanneer de vergoeding voor de dienstverrichter niet wettelijk verplicht is en het te betalen bedrag van de vergoeding, wanneer zij wordt toegekend, a) per geval wordt beoordeeld, en b) altijd afhankelijk is van de vermogenstoestand van de ontvanger van de diensten, en c) wordt vastgesteld hetzij in de vorm van een vast bedrag, hetzij in de vorm van een deel van de inkomsten van de ontvanger van de diensten, hetzij in verhouding tot de verrichte diensten?

5) Moet het begrip „diensten en goederenleveringen welke nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid” van artikel 132, lid 1, punt g), van richtlijn 2006/112/EG aldus worden uitgelegd dat dit begrip mede ziet of juist niet ziet op diensten die worden verricht in het kader van een wettelijke regeling ter bescherming van meerderjarigen, die is onderworpen aan toezicht door een onafhankelijke rechterlijke autoriteit?

6) Moet het begrip „organisaties die als instellingen van sociale aard worden erkend” van artikel 132, lid 1, punt g), van richtlijn 2006/112/EG, met het oog op de erkenning van de sociale aard van de instelling, aldus worden uitgelegd dat het bepaalde eisen stelt betreffende de exploitatievorm van de dienstverrichter, of betreffende het altruïstische of winstoogmerk van de activiteit van de dienstverrichter, of, meer algemeen, dat het de werkingssfeer van de vrijstelling van artikel 132, lid 1, punt g), met andere criteria of voorwaarden beperkt, of is het voldoende dat een instelling louter diensten verricht die „samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid” opdat zij een instelling van sociale aard is?

7) Moet het begrip „organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend” van artikel 132, lid 1, punt g), van richtlijn 2006/112/EG aldus worden uitgelegd dat een erkenningsprocedure op basis van een vooraf vastgestelde procedure en criteria is vereist, of kan de ad-hocerkenning per geval worden verleend, in voorkomend geval door een rechterlijke autoriteit?

8) Kan de met de inning van de btw belaste dienst op grond van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van een btw-plichtige de betaling eisen van de btw over economische handelingen met betrekking tot een periode die was verstreken op het ogenblik waarop de belastingdienst heeft besloten btw te heffen, nadat deze dienst gedurende langere tijd, vóór die periode, de btw-aangiften van deze belastingplichtige had aanvaard, waarin de economische handelingen van dezelfde aard niet in de belastbare handelingen waren opgenomen? Gelden er voor deze mogelijkheid voor de met de inning van de btw belaste dienst bepaalde voorwaarden?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-263/15), SAWP (C-37/16), Budimex (C-224/18), Nagyszénás Településszolgáltatási Nonprofit Kft. (C-182/17), Hotel Scandic Gåsabäck (C-412/03), Campsa Estaciones de Servicio, (C-285/10), Le Rayon d’Or (C-151/13), (C-174/14)

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal