C-857/19 Slovak Telekom

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     31 januari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     17 maart 2020

Trefwoorden : mededingingsregels, ne bis in idem, sancties

Onderwerp :

Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag.

 

Feiten:

Verzoekster Slovak Telekom heeft cassatieberoep ingesteld tegen de beslissing van de bestuursrechter van 21-06-2017, waarbij deze het beroep van verzoekster tegen het door de verwerende partij, de Slowaakse mededingingsautoriteit, gegeven definitieve besluit van 09-04-2009 heeft afgewezen. De cassatierechter is tot de voorlopige conclusie gekomen dat verzoekster uit hoofde van de door haar gepleegde inbreuk op het verbod op de uitholling van marges die zich in de periode van 12-08-2005 tot en met 21-12-2007 heeft voorgedaan op de massamarkt voor retailbreedbanddiensten die worden aangeboden op een vaste locatie en op de wholesalemarkt voor toegang tot ontbundelde aansluitnetten is onderworpen aan de parallelle toepassing van artikel 102 VWEU door de Commissie en door de verwerende partij. De verwerende partij heeft verzoekster bij besluit van 09-04-2009 een geldboete opgelegd vanwege misbruik van een machtspositie, die zij diende te betalen binnen 60 dagen na de datum waarop dit besluit definitief is geworden. Daarnaast heeft ook de Commissie in haar besluit van 15-10-2014 besloten dat verzoekster één enkele voortdurende inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-overeenkomst had gepleegd in de periode van 12-08-2005 tot en met 31-12-2010, en haar een geldboete opgelegd. Dit besluit is in zaak T-851/14 in eerste aanleg bij het Gerecht aan de orde geweest en in zaak C-165/19 P in hogere voorziening voor het Hof. De verwerende partij heeft in haar stellingname voor de cassatierechter betreffende de eerbiediging van het beginsel „ne bis in idem” aangegeven dat beide zaken weliswaar betrekking hadden op een schending van artikel 102 VWEU, maar dat er sprake is van twee afzonderlijke zaken. De Commissie heeft producten op wholesaleniveau onderzocht terwijl de verwerende partij producten op retailniveau heeft onderzocht. Verzoekster stelt dat beide sancties zijn opgelegd uit hoofde van een gedraging die zowel volgens de Commissie als volgens de verwerende partij tot doel had de mededinging te verzwakken of uit te schakelen. Zij geeft ook aan dat de Commissie in samenwerking met de verwerende partij een onaangekondigde controle ten kantore van verzoekster heeft verricht. De verwerende partij was dus ongetwijfeld op de hoogte van de procedure van de Commissie alsook van het voorwerp daarvan. Verzoekster is van mening dat deze tekortkomingen en de gevolgen van de schending van het beginsel „ne bis in idem” haar rechtspositie fundamenteel aantasten.

 

Overweging:

Overeenkomstig artikel 11, lid 6, eerste volzin, van verordening 1/2003 ontneemt het feit dat de Commissie een procedure begint die tot het geven van een beschikking op grond van hoofdstuk III moet leiden de mededingingsautoriteiten van de lidstaten hun bevoegdheid tot toepassing van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag. Indien een mededingingsautoriteit van een lidstaat een zaak reeds in behandeling heeft genomen, begint de Commissie alleen een procedure na overleg met deze autoriteit. De rechtspraak betreffende het beginsel „ne bis in idem” bestaat in dit geval in het arrest Powszechny Zakład Ubezpieczeń na Życie, waarin evenwel een „ne bis in idem”-situatie overeenkomstig artikel 50 van het Handvest wordt beslecht waarbij gelijktijdig het Unierecht en het nationale recht binnen één enkel besluit van de nationale mededingingsautoriteit waren toegepast. De verwijzende rechter wijst erop dat de juridische situatie in de onderhavige zaak betrekking heeft op de zelfstandige en afzonderlijke oplegging van sancties wegens schending van artikel 102 VWEU door de Commissie en door de nationale mededingingsautoriteit. De verwijzende rechter ontwaart een probleem in de parallelle oplegging van sancties krachtens het Unierecht door twee verschillende autoriteiten en vraagt zich derhalve af of het ne bis in idem beginsel van toepassing is.

 

Prejudiciële vragen:

Betekent de zinsnede „ontneemt dit de mededingingsautoriteiten van de lidstaten hun bevoegdheid tot toepassing van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag” dat de autoriteiten van de lidstaten hun bevoegdheid tot toepassing van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag verliezen?

Heeft artikel 50 (recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde delict te worden berecht of gestraft) van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, afgekondigd te Nice op 7 december 2000, ook betrekking op gevallen van administratieve delicten waarbij misbruik is gemaakt van een machtspositie in de zin van artikel 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en waarvoor de Commissie en de autoriteit van de lidstaat afzonderlijk en zelfstandig sancties hebben opgelegd in het kader van hun bevoegdheden krachtens artikel 11, lid 6, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Slovak Telekom tegen Europese Commissie (T-851/14), Powszechny Zakład Ubezpieczeń na Życie, (C-617/17)

Specifiek beleidsterrein: EZK