C-866/19 Zakład Ubezpieczeń Społecznych I Oddział w Warszawie Wydział Realizacji Umów Międzynarodowych

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     10 februari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     27 maart 2020

Trefwoorden : pensioen, sociale zekerheid, verzekeringstijdvakken

Onderwerp :

•          Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels

•          Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen

•          Besluit nr. H6 van 16 december 2010 betreffende de toepassing van bepaalde beginselen inzake de samentelling van tijdvakken ingevolge artikel 6 van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de Socialezekerheidsstelsels

 

Feiten:

Bij besluit van 24-02-2014 heeft de Poolse pensioeninstelling aan SC, verzekerde, uit hoofde van de bepalingen van de pensioenwet en van verordening 883/2004 met ingang van 05-11-2013 een ouderdomspensioen toegekend. Bij de vaststelling van het recht op het ouderdomspensioen heeft de pensioeninstelling (1) de omvang van de Poolse tijdvakken van bijdragebetaling vastgesteld (2) rekening gehouden met Poolse tijdvakken van niet-bijdragebetaling ten belope van 1/3 van de Poolse tijdvakken van bijdragebetaling, en (3) de in Nederland vervulde tijdvakken van bijdragebetaling bij de nationale verzekeringsduur opgeteld met het oog op de verkrijging van het recht op een ouderdomspensioen. De vastgestelde verzekeringsduur is vervolgens in aanmerking genomen bij de berekening van het theoretische bedrag van de uitkering. Voorts is het werkelijke bedrag van de uitkering berekend in een verhouding van 138 maanden aan Poolse tijdvakken van verzekering op een totaal van 407 geaggregeerde Poolse en buitenlandse tijdvakken van verzekering. De verzekerde heeft beroep tegen dit besluit ingesteld en heeft daarbij onder meer verzocht de Poolse tijdvakken van niet-bijdragebetaling in hogere mate in aanmerking te nemen. De verzekerde verwijt de pensioeninstelling dat zij bij de vaststelling van het bedrag van de hem toekomende uitkering heeft verzuimd artikel 45 van verordening 1408/71, zoals uitgelegd in het arrest T, toe te passen. De pensioeninstelling heeft de tijdvakken van niet-bijdragebetaling namelijk slechts in aanmerking genomen ten belope van 1/3 van de in Polen vervulde tijdvakken van bijdragebetaling, terwijl in dat arrest is vastgesteld dat deze tijdvakken in aanmerking moeten worden genomen ten belope van 1/3 van zowel de in Polen als de in Nederland vervulde tijdvakken van bijdragebetaling. De Poolse rechter in eerste aanleg heeft dit beroep afgewezen. De verzekerde heeft hoger beroep tegen deze beslissing ingesteld met als gevolg dat de rechter in tweede aanleg de bestreden beslissing aldus heeft gewijzigd en het hoger beroep heeft toegewezen. De pensioeninstelling heeft hier cassatieberoep tegen ingesteld en betoogt in de eerste plaats dat de uitlegging van artikel 45 van verordening 1408/71 in de onderhavige zaak niet van toepassing is. Voor de verkrijging van het recht op het ouderdomspensioen door de verzekerde is het namelijk voldoende gebleken de in de andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering op te tellen bij de Poolse tijdvakken van verzekering.

 

Overweging:

Volgens de verwijzende rechter kan artikel 52, lid 1, onder b), van verordening 883/2004 op drie manieren worden uitgelegd. De eerste uitleggingsoptie is gebaseerd op het arrest T waaruit volgt dat artikel 45, lid 1, van verordening 1408/71 aldus moet worden uitgelegd dat bij het bepalen van het naar nationaal recht vereiste minimale tijdvak van verzekering met het oog op het verkrijgen van het recht op een ouderdomspensioen voor een migrerende werknemer, het bevoegde orgaan van de betrokken lidstaat, bij het bepalen van het maximum dat de tijdvakken van niet-bijdragebetaling niet mogen overschrijden in verhouding tot de tijdvakken van bijdragebetaling, zoals bepaald in de regeling van die lidstaat, alle tijdens het beroepsleven van de migrerende werknemer vervulde tijdvakken van verzekering moet meetellen, met inbegrip van de in andere lidstaten vervulde tijdvakken van verzekering. De tweede uitleggingsvariant is gebaseerd op de veronderstelling dat het arrest T de uitlegging van artikel 52 van verordening 883/2004 slechts gedeeltelijk beïnvloedt. De redenering van het Hof in dat arrest wordt namelijk alleen toegepast bij de vaststelling van het theoretische bedrag en geldt niet voor de berekening van het werkelijke bedrag. Volgens de derde uitleggingsoptie geeft artikel 6 van verordening 883/2004 aan dat de verzekeringstijdvakken in de andere lidstaat slechts „voor zover nodig” in aanmerking moeten worden genomen. Hierdoor kan ervan worden uitgegaan dat het arrest T alleen van toepassing is in feitelijke situaties waarin de verzekerde op grond van de afzonderlijk opgetelde verzekeringstijdvakken van bijdragebetaling en niet-bijdragebetaling uit elke lidstaat waar hij verzekerd was, geen recht op een uitkering kan verkrijgen. De verwijzende rechter vraagt zich af welke uitlegging correct is.

 

Prejudiciële vraag:

Moet artikel 52, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels aldus worden uitgelegd dat het bevoegde orgaan:  a) ter zake van de vaststelling van zowel het theoretische bedrag (punt i) als het werkelijke bedrag van de uitkering (punt ii) overeenkomstig het nationale recht tijdvakken van niet-bijdragebetaling in aanmerking neemt tot een maximum van 1/3 van het totaal van de krachtens het nationale recht en de wetgeving van andere lidstaten vervulde tijdvakken van bijdragebetaling; of b) alleen bij de vaststelling van het theoretische bedrag (punt i), maar niet bij de vaststelling van het werkelijke bedrag van de uitkering (punt ii) overeenkomstig het nationale recht tijdvakken van niet-bijdragebetaling in aanmerking neemt tot een maximum van 1/3 van het totaal van de krachtens het nationale recht en de wetgeving van andere lidstaten vervulde tijdvakken van bijdragebetaling; of c) bij de vaststelling van noch het theoretische bedrag (punt i) noch het werkelijke bedrag van de uitkering (punt ii) tijdvakken van verzekering in een andere lidstaat in aanmerking neemt bij de berekening van de limiet van de tijdvakken van niet-bijdragebetaling in de zin van het nationale recht?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-440/09), (C-113/92), (C-30/04), (C-282/11), (C-793/79), (C-189/16), (C-153/97), (C-31/96–C-33/96), (C-406/93), (C-5/91), (C-347/00), (C-251/94)

Specifiek beleidsterrein: SZW