C-868/19 Finanzamt für Körperschaften Berlin

Prejudiciële hofzaak  

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:      4 februari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     21 maart 2020

Trefwoorden : BTW, fiscale eenheid, personenvennootschap

Onderwerp :

Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw-richtlijn).

 

Feiten:

Verzoekster is rechtsopvolgster onder algemene titel van PD GmbH & Co. KG. In de voor dit geding relevante periode was A-GmbH haar beherend vennoot, en waren D-GbR, de heer C, de heer D, de heer E en M-GmbH haar stille vennoten. Volgens de vennootschapsovereenkomst beschikte iedere vennoot over één stem. In afwijking daarvan had M-GmbH zes stemmen. De beherend vennoot van PD GmbH & Co. KG en M-GmbH hadden in de voor dit geding relevante periode dezelfde bestuurder. Nadat PD GmbH & Co. KG voor december 2017 geen btw-aangifte bij verweerder had ingediend, heeft verweerder de heffingsmaatstaf bij beschikking van 09-05-2018 geschat en tegelijkertijd een boete wegens te late indiening vastgesteld. Nadat het bezwaar van PD GmbH & Co. KG hiertegen was afgewezen, heeft zij beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Verzoekster is van opvatting dat PD GmbH & Co. KG en M-GmbH vanaf december 2017 een fiscale eenheid in de zin van § 2, lid 2, punt 2, van de Duitse wet op de omzetbelasting vormden. Dit heeft tot gevolg dat alle handelingen en btw-aftrek voor december 2017 niet aan PD GmbH & Co. KG, maar aan M-GmbH moeten worden toegerekend en dat laatstgenoemde de btw-aangifte in kwestie had moeten indienen. Verweerder geeft aan dat er geen sprake is van een financiële verwevenheid van PD GmbH & Co. KG en M-GmbH. Volgens het Duitse recht kunnen natuurlijke personen niet deelnemen in de personenvennootschap die financieel gezien wordt opgenomen in de onderneming van het overkoepelende orgaan. Aangezien ook natuurlijke personen stille vennoten van PD GmbH & Co. KG zijn, is financiële verwevenheid niet mogelijk.

 

Overweging:

In het onderhavige geding rijst de vraag of aan de voorwaarden voor een fiscale eenheid in de zin van § 2, lid 2, punt 2, van de Duitse wet op de omzetbelasting is voldaan. Daaruit volgt dat alleen “entiteiten met rechtspersoonlijkheid” een ondernemingsentiteit zijn. Volgens de hoogste Duitse federale rechter in belastingzaken kunnen ook personenvennootschappen als ondernemingsentiteit worden beschouwd, wanneer hun vennoten, naast het overkoepelende orgaan, enkel personen zijn die financieel gezien zijn opgenomen in de onderneming van het overkoepelende orgaan. Dit kunnen geen natuurlijke personen zijn. De verwijzende rechter betwijfelt of die conclusie verenigbaar is met de eisen van artikel 11 van de btw-richtlijn. Volgens de rechtspraak van het Hof bepaalt artikel 11, eerste alinea, van de btw-richtlijn niet uitdrukkelijk dat de lidstaten andere voorwaarden kunnen opleggen waaraan de marktdeelnemers moeten voldoen om als een btw-groep te kunnen worden beschouwd, noch voorziet het uitdrukkelijk in de mogelijkheid voor de lidstaten om te bepalen dat enkel entiteiten met rechtspersoonlijkheid deel kunnen uitmaken van een btw-groep. Daarnaast heeft het Hof geoordeeld dat de in artikel 11, tweede alinea, van de btw-richtlijn bedoelde maatregelen enkel met eerbiediging van het Unierecht kunnen worden vastgesteld en dat het de lidstaten alleen onder dit voorbehoud vrij staat de toepassing van de regeling van artikel 11, eerste alinea, van die richtlijn te beperken, teneinde belastingfraude of -ontwijking te bestrijden. De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op de uitlegging van dit voorbehoud.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 11, eerste alinea, van richtlijn 2006/112/EEG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de regeling in § 2, lid 2, punt 2, Umsatzsteuergesetz (Duitse wet op de omzetbelasting; hierna: „UStG”), voor zover die regeling verbiedt dat een ondernemingsentiteit (Organgesellschaft) in een btw-rechtelijke fiscale eenheid (Organschaft) een personenvennootschap is [in casu een GmbH & Co. KG (een commanditaire personenvennootschap waarvan de beherende vennoot een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is)], waarvan de vennoten, naast het overkoepelende orgaan (Organträger), niet enkel personen zijn die overeenkomstig § 2, lid 2, punt 2, UStG financieel gezien zijn opgenomen in de onderneming van dat overkoepelende orgaan?

2) Voor het geval dat de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: a) Moet artikel 11, tweede alinea, van richtlijn 2006/112 – rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel en het neutraliteitsbeginsel – aldus worden uitgelegd dat het een uitsluiting van personenvennootschappen van de btw-rechtelijke fiscale eenheid als vermeld in de eerste prejudiciële vraag kan rechtvaardigen, omdat volgens nationaal recht voor het sluiten en wijzigen van vennootschapsovereenkomsten voor personenvennootschappen geen vormvereiste geldt en in het geval van louter mondelinge afspraken in individuele gevallen moeilijkheden bij het aantonen van de financiële verwevenheid van de ondernemingsentiteit kunnen bestaan? b) Staat aan de toepassing van artikel 11, tweede alinea, van richtlijn 2006/112 in de weg dat de nationale wetgever bij de vaststelling van de maatregel het voorkomen van belastingfraude en -ontwijking niet van meet af aan als doel heeft vastgelegd?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Larentia + Minerva (C-108/14 en C-109/14), Commissie/Zweden (C-480/10), Commissie/Ierland (C-85/11), Safeway (C-171/18), (C-146/05), (C-264/17)

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal