C-869/19 Banco de Caja España de Inversiones, Salamanca y Soria

Prejudiciële hofzaak 

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     17 februari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     3 april 2020

Trefwoorden :  oneerlijke bedingen, gezag van gewijsde, consumenten

Onderwerp :

Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.

 

Feiten:

Op 22-03-2006 heeft de financiële instelling Banco de Caja España de Inversiones, Salamanca y Soria, S.A.U. (Banco Ceiss) verzoekster een lening van 120 000 EUR met hypothecaire zekerheid toegekend voor de aankoop van haar gezinswoning. De overeenkomst bevatte vooraf door Banco Ceiss vastgestelde algemene voorwaarden en de rentevoet van de lening bedroeg 3,350 % op jaarbasis voor het eerste jaar. Na afloop van het eerste jaar was een variabele rentevoet van toepassing. De overeenkomst bevatte echter een beding volgens hetwelk de rentevoet van de lening nooit lager kon zijn dan 3 % op jaarbasis (bodemrentebeding). In januari 2016 heeft verzoekster een vordering tegen de bank ingesteld tot nietigverklaring van het bodemrentebeding op grond dat het oneerlijk was door gebrek aan transparantie, aangezien de bank haar niet naar behoren in kennis had gesteld van het bestaan van een dergelijk beding en van de gevolgen ervan voor de financiële voorwaarden van de overeenkomst. Op 06-06-2016 heeft de rechter in eerste aanleg geoordeeld dat het bodemrentebeding oneerlijk was wegens gebrek aan transparantie. Hij veroordeelde Banco Ceiss echter alleen tot terugbetaling aan verzoekster van de op grond van voornoemd beding onverschuldigd betaalde bedragen vanaf 09-05-2013, vermeerderd met rente. Op 14-07-2016 heeft Banco Ceiss hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg. De rechter in tweede aanleg heeft het hoger beroep toegewezen op grond dat de vordering slechts gedeeltelijk gegrond was verklaard, en heeft de verwijzing in de kosten van Banco Ceiss door de rechter in eerste aanleg herroepen. Verzoekster heeft hier cassatieberoep tegen ingesteld. Banco Ceiss heeft zich verzet tegen het cassatieberoep en stelt dat de vordering van verzoekster in strijd is met het beginsel van samenhang, omdat zij geen beroep heeft ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg om de beperking in de tijd van de uit de nietigheid van het beding voortvloeiende betalingsplicht aan te vechten. Om die reden kon de rechter in tweede aanleg naar aanleiding van de oneerlijkverklaring van het beding geen volledige terugbetaling gelasten.

 

Overweging:

De verwijzende rechter twijfelt over de verenigbaarheid van de in de artikelen 216, 218, lid 1, en 465, lid 5, van de Spaanse wet op de burgerlijke rechtsvordering neergelegde beginselen van lijdelijkheid, samenhang en verbod op reformatio in peius met artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13. Het Hof heeft erkend dat de bescherming van de consument niet absoluut is en dat het in overeenstemming met het beginsel van institutionele en procedurele autonomie van de lidstaten een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de procedureregels vast te stellen voor de beroepen die dienen ter bescherming van de rechten die worden ontleend aan het recht van de Unie. Deze autonomie mag echter geen belemmeringen scheppen die afdoen aan de doeltreffendheid van het Unierecht. Op het gebied van oneerlijke bedingen heeft het Hof in zijn arrest van 21-12-2016 verklaard dat bepaalde beperkingen op de doeltreffendheid van het beginsel dat oneerlijke bedingen de consument niet binden, redelijk zijn, zoals die welke voortvloeien uit het gezag van gewijsde of de vaststelling van redelijke beroepstermijnen. Het Unierecht gebiedt een nationale rechter niet om nationale procedureregels die een rechterlijke beslissing gezag van gewijsde verlenen buiten toepassing te laten, ook al zou daardoor een nationale situatie die onverenigbaar is met dat recht kunnen worden hersteld. Volgens de Spaanse rechtsorde kan met een hoger beroep worden opgekomen tegen de afzonderlijke onderdelen van het dictum van het vonnis. Indien geen van de partijen opkomt tegen een bepaald onderdeel van het dictum, kan de rechter in hoger beroep dat onderdeel niet buiten toepassing laten of wijzigen. Deze regel vertoont een zekere samenhang met het gezag van gewijsde wat betreft de grond en het doeleinde ervan. Bij deze spanning tussen enerzijds de procedurele beginselen die zijn gebaseerd op het vereiste van rechtszekerheid, goede rechtsbedeling en eerbiediging van een procedure met de nodige waarborgen en anderzijds het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht, rijzen twijfels over de beperkingen die de procedurele regels inhouden voor de doeltreffendheid van het beginsel dat oneerlijke bedingen de consument niet binden. Er bestaan concrete twijfels of de rechter die kennisneemt van een beroep dat na de uitspraak van het arrest van het Hof van 21-12-2016 uitsluitend door de verwerende bank is ingesteld, de volledige terugbetaling moet gelasten van de op grond van het oneerlijke beding betaalde bedragen, wanneer verzoekster geen beroep heeft ingesteld tegen het vonnis, waardoor zij in een nadeliger situatie wordt geplaatst.

 

Prejudiciële vraag:

Staat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG in de weg aan de toepassing van de procedurele beginselen van lijdelijkheid, samenhang en verbod op reformatio in peius, op grond waarvan de rechter die kennisneemt van het door de bank ingestelde hoger beroep tegen een vonnis dat de terugbetaling in de tijd beperkt van bedragen die door de consument onverschuldigd zijn voldaan op grond van een nietig verklaard ‚bodemrentebeding’, geen volledige terugbetaling van voornoemde bedragen kan gelasten en daardoor de verzoekende partij in een nadeliger situatie plaatst, omdat zij die beperking niet heeft aangevochten?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: arrest van 25 november 2008 (C-455/06), arrest van 21 december 2016  (C-154/15, C-307/15 en C-308/15), arrest van 29 juli 2019 (C-620/17)

Specifiek beleidsterrein: EZK, FIN