C-87/19 TV Play Baltic

​​​​​​​

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

 

Termijnen: Motivering departement: 8 april 2019
Schriftelijke opmerkingen: 25 mei 2019

Trefwoorden : elektronische communicatie; diensten;

Onderwerp :

- Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 56;

- Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (toegangsrichtlijn), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG ;

- Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn);

- Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn);

 

Feiten:

Verzoekster (TV Play Baltic AS, voorheen: Viasat AS) is een in Estland gevestigde vennootschap die zich bezighoudt met distributie van pakketten satellietbetaaltelevisiezenders in Litouwen. Verzoekster maakt hierbij (tegen vergoeding) gebruik van het aan derden toebehorende satellietnetwerk. Na wijzigingen van de wet op de informatievoorziening aan het publiek op 21 mei 2015, zijn verzoeksters activiteiten op grond van het Litouwse nationale recht met ingang van 01.10.2015 gelijkgesteld met activiteiten op het gebied van de heruitzending van televisie-uitzendingen. Verzoekster is sinds 01.10.2015 verplicht tot heruitzending van alle ongecodeerde televisiezenders van de Litouwse nationale radio- en televisieomroep (hierna: LRT), waaronder “LRT Kultūra”. Omdat LRT weigerde de kosten die waren verbonden aan de overdracht van het signaal van de televisiezender “LRT Kultūra” naar een kunstmatige aardsatelliet voor haar rekening te nemen, heeft verzoekster op 01.10.2015 bij de radio- en televisiecommissie (hierna: LRTK) een verzoek ingediend om te worden vrijgesteld van de verplichting tot heruitzending van die televisiezender. Bij het betwiste besluit heeft de LRTK dat verzoek afgewezen. Verzoekster heeft bij de bestuursrechter in eerste aanleg beroep ingesteld. Bij vonnis van 04.01.2017 heeft de bestuursrechter in eerste aanleg verzoeksters beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, maar tevens geoordeeld dat verweersters besluit terecht was vastgesteld voor zover daarbij verzoeksters verzoek om te worden vrijgesteld van de verplichting tot heruitzending van de televisiezender “LRT Kultūra” was afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.

 

Overweging:

In de onderhavige zaak rijst de vraag of de krachtens het nationale recht op verzoekster rustende verplichting tot heruitzending van onder meer de televisiezender “LRT Kultūra” (“LRT Plius”) binnen de werkingssfeer van artikel 31 van de universeledienstrichtlijn valt. Indien marktdeelnemers als verzoekster buiten de werkingssfeer van artikel 31 van de universeledienstrichtlijn vallen, rijst de vraag of een lidstaat het recht heeft om doorgifteverplichtingen op te leggen aan andere marktdeelnemers dan die welke in die bepaling van de richtlijn worden genoemd. Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat iedere doorgifteverplichting van deze aard een beperking op het vrij verrichten van diensten in de zin van artikel 56 VWEU vormt. De verwijzende rechter twijfelt of de verplichting tot heruitzending evenredig en noodzakelijk is, aangezien niets erop wijst dat LRT niet in staat is om de televisiezender in kwestie zelf uit te zenden via de satellietnetwerken. De verwijzende rechter gaat derhalve over op het stellen van de prejudiciële vragen.

 

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 2, onder m), van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en –diensten (kaderrichtlijn) aldus worden uitgelegd dat het „aanbieden van een elektronischecommunicatienetwerk” niet van toepassing is op activiteiten op het gebied van de heruitzending van televisie-uitzendingen via aan derden toebehorende satellietnetwerken, zoals de activiteiten die worden verricht door verzoekster?

2. Moet artikel 31, lid 1, van richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (universeledienstrichtlijn), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009, aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat lidstaten een doorgifteverplichting (tot het uitzenden van een televisiezender via aan derden toebehorende satellietnetwerken en tot het aan eindgebruikers verschaffen van toegang tot deze uitzending) opleggen aan marktdeelnemers als verzoekster, die ten eerste via aan derden toebehorende satellietnetwerken een televisiezender uitzenden die is beschermd door een systeem voor voorwaardelijke toegang, daartoe signalen van op dat tijdstip uitgezonden televisieprogramma’s (zenders) ontvangen alsook deze signalen omzetten, ze coderen en ze overdragen naar een kunstmatige aardsatelliet, vanwaar die signalen ononderbroken worden teruggezonden naar de aarde, en die ten tweede televisiezenderpakketten aan klanten aanbieden en daartoe eindgebruikers tegen vergoeding de mogelijkheid bieden om toegang tot die beschermde televisie-uitzending (of een deel daarvan) te krijgen door middel van uitrusting voor voorwaardelijke toegang?

3. Moet artikel 31, lid 1, van richtlijn 2002/22, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136, aldus worden uitgelegd dat voor de toepassing van die bepaling elektronischecommunicatienetwerken (in casu een satellietomroepnetwerk) niet worden geacht voor een significant aantal eindgebruikers hun belangrijkste bron (belangrijkste middel) te zijn om televisie-uitzendingen te ontvangen indien die netwerken voor slechts ongeveer 6 % van alle eindgebruikers (in casu huishoudens) die belangrijkste bron (dat belangrijkste middel) zijn?

4. Moet bij de beoordeling of toepassing van artikel 31, lid 1, van richtlijn 2002/22, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136, gerechtvaardigd is, rekening worden gehouden met de internetgebruikers die kosteloos live op internet kunnen kijken naar de betreffende televisieprogramma’s (of een deel daarvan)?

5. Moet artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat lidstaten aan marktdeelnemers als verzoekster een dwingende verplichting opleggen om kosteloos via elektronischecommunicatienetwerken een televisiezender heruit te zenden, wanneer de omroep ten behoeve waarvan die verplichting is ingevoerd, volkomen in staat is de televisiezenders in kwestie zelf met zijn eigen vermogen via hetzelfde netwerk uit te zenden?

6. Moet artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat lidstaten aan marktdeelnemers als verzoekster een dwingende verplichting opleggen om kosteloos via elektronischecommunicatienetwerken een televisiezender heruit te zenden, wanneer die verplichting op slechts ongeveer 6 % van alle huishoudens betrekking zou hebben en de betrokken huishoudens de mogelijkheid hebben naar die televisiezender te kijken via het terrestrische omroepnetwerk of internet?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Commissie/België C-134/10; United Pan-Europe Communications Belgium e.a. C-250/06; France Télévisions C-298/17; Kabel Deutschland Vertrieb und Service C-336/07.

Specifiek beleidsterrein: EZK; OCW