C-88/19 Alianța pentru combaterea abuzurilor

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 12 april 2019
Schriftelijke opmerkingen: 29 mei 2019

Trefwoorden : natuurlijke habitat; dierenbescherming; flora en faunra

Onderwerp :

- Artikel 13 VWEU

- Verordening 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van verordening (EG) nr. 1255/97

- Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna

 

Feiten:

Op 09.05.2017 heeft de klagende partij een strafklacht ingediend tegen verweerders, omdat de verweerders misdrijven zouden hebben begaan wegens de vangst en het in ongeschikte omstandigheden vervoeren van een wild dier van de soort canis lupus (wolf), die is opgenomen in de bijlage van een nationale regeling ter instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Op 06.11.2016 hebben verweerders zich begeven naar een plek om een dier van het soort wolf te vangen en naar een andere plaats te brengen. De wolf is met verdovende en psychotrope middelen voor diergeneeskundig gebruik neergeschoten, waarna hij werd geobserveerd en van de grond getild, in strijd met de voorschriften voor de bescherming van dieren die zijn neergelegd in verordening 1/2005. De wolf werd in strijd met de bepalingen voor bescherming van dieren tijdens het vervoer naar een auto gebracht en in een kooi voor hondenvervoer gestopt. Hierna heeft het personeel van verweerder het dier naar een berenreservaat gebracht, dat ook een zone omvat voor wolven die zijn bevrijd uit niet-vergunde dierentuinen. Onderweg slaagde de wolf er echter in zijn kooi open te breken en te vluchten, waarna hij zich in de bossen in de omgeving schuilhield. Hierbij heeft hij gebruikt gemaakt van de ongeschikte omstandigheden waarin hij werd vervoerd. Uit de strafklacht blijkt dat, aangezien de soort wolf is opgenomen in de bijlage van de nationale regeling betreffende de natuurlijke habitats, de vangst en het vervoer ervan enkel mag plaatsvinden na verkrijging van de goedkeuring van de centrale overheidsdienst voor milieubescherming. Hierbij moet voldaan zijn aan bepaalde uitzonderingsvoorwaarden voor afwijkingen op de maatregelen ter bescherming van wilde flora en fauna. Deze goedkeuring is echter niet verkregen.

 

Overweging:

De verwijzende rechter vraagt zich af in hoeverre het opzettelijk vangen of doden van wilde specimen van de soort wolf ook kan plaatsvinden zonder de afwijking waarin richtlijn 92/43 voorziet, wanneer deze dieren worden aangetroffen aan de rand van of op het grondgebied van een territoriaal publiekrechtelijk lichaam. Daarnaast wil de verwijzende rechter weten wanneer de afwijking vereist is voor een of ander zich in gevangenschap bevindend wild specimen, ongeacht of het op het grondgebied van een territoriaal publiekrechtelijk lichaam komt. De richtlijn ziet alleen op de situatie waarin wilde dieren zich in hun natuurlijke habitat bevinden, maar volgens de rechter bestaat er geen beletsel om de gevolgen van de richtlijn ook toe te passen wanneer deze dieren zich buiten hun natuurlijke habitat bevinden.

 

Prejudiciële vraag:

Moet artikel 16 van richtlijn 92/43/EEG aldus worden uitgelegd dat de lidstaten ook afwijkingen van de artikelen 12, 13, 14 en artikel 15, onder a) en b), dienen vast te stellen voor gevallen waarin dieren die tot een bedreigde soort behoren, hun natuurlijke habitat verlaten en zich al dan niet in de onmiddellijke nabijheid daarvan ophouden?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: LNV