C-895/19 A

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     18 februari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     4 april 2020

Trefwoorden : btw, termijnen, intracommunautaire verwerving van goederen

Onderwerp :

Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, gewijzigd bij richtlijn 2010/45/EU van 13 juli 2010 (btw-richtlijn)

 

Feiten:

In een verzoek om een ruling heeft de vennootschap A. aangegeven dat zij in het kader van haar bedrijfsactiviteit op het grondgebied van Polen aankopen doet, met inbegrip van de intracommunautaire verwerving van goederen (ivg). De aangekochte goederen worden vervolgens gebruikt voor handelingen die onderworpen zijn aan de btw op het nationaal grondgebied. Er hebben zich gevallen voorgedaan waarin de uit hoofde van de ivg verschuldigde belasting niet binnen drie maanden na het einde van de maand waarin de belastingverplichting met betrekking tot de gekochte goederen is ontstaan door de vennootschap is opgegeven. De vennootschap heeft verklaard dat zij een volledig recht op aftrek van btw heeft en dat een latere aangifte van het bedrag van de verschuldigde belasting door correctie van een aangifte geen verband houdt met rechtsmisbruik of het streven naar belastingvermindering. In verband hiermee heeft de vennootschap de vraag gesteld of zij bij de stand van het recht vanaf 01-01-2017 in de in het verzoek vermelde feitelijke toestand en voor toekomstige gebeurtenissen, als gevolg van de correctie van de btw-aangifte die is ingediend voor het tijdvak waarin de belastingverplichting is ontstaan, de voorbelasting over de ivg kan en zal kunnen aftrekken in dezelfde aangifteperiode als die waarin de verschuldigde belasting is opgenomen, ook al is of zal de correctie meer dan drie maanden na het einde van de maand waarin de belastingverplichting met betrekking tot de aangekochte goederen is ontstaan, worden verricht. Volgens haar is het vereiste dat voortvloeit uit artikel 86, lid 10b, punt 2, onder b), van de btw-wet onbekend in de btw-richtlijn en mag dit derhalve niet worden toegepast, en is het bovendien in strijd met de beginselen van fiscale neutraliteit en evenredigheid. De directeur van de nationale belastingadministratie stelt dat de ingevoerde regeling niet in strijd is met de btw-richtlijn aangezien zij het recht van een belastingplichtige op vermindering van de verschuldigde belasting niet beperkt.

 

Overweging:

In Polen heeft een belastingplichtige overeenkomstig het beginsel van artikel 86, lid 1, van de btw-wet het recht om het bedrag van de voorbelasting in mindering te brengen op het bedrag van de verschuldigde belasting, voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor het verrichten van belastbare handelingen. Om van deze regeling gebruik te kunnen maken, moet binnen drie maanden een aangifte worden ingediend. Bij overschrijding van deze termijn moet de belastingplichtige de eerder ingediende aangifte corrigeren en mag hij tegelijkertijd de over de ivg verschuldigde belasting slechts doorlopend verrekenen. De verwijzende rechter betwijfelt of een regeling als die welke in de onderhavige zaak aan de orde is, mocht worden ingevoerd als een nieuwe maatregel, die in beginsel onbekend was in de Poolse wetgeving. Vooral aangezien de Poolse wetgever zich door de invoering ervan heeft uitgesproken over de verenigbaarheid van de voorgestelde oplossingen met het Unierecht. Uit de toelichting op de wijziging blijkt echter duidelijk dat de organen en instellingen van de Unie niet zijn geraadpleegd of verzocht om advies. Uit de rechtspraak van het Hof concludeert de verwijzende rechter dat de bepalingen van de btw-richtlijn zich niet verzetten tegen de mogelijkheid voor een lidstaat om in de nationale wetgeving bindende termijnen in te voeren, maar dat deze termijnen niet in strijd mogen zijn met het beginsel van fiscale neutraliteit en evenredig moeten zijn. De verwijzende rechter is geneigd te oordelen dat artikel 167 juncto artikel 178 van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling, die aan de uitoefening van het recht van een belastingplichtige „te goeder trouw” op aftrek van voorbelasting in hetzelfde belastingtijdvak als dat waarin de belasting die is verschuldigd over handelingen die intracommunautaire verwerving van goederen vormen de voorwaarde stelt dat de over die handelingen verschuldigde belasting binnen de verplichte termijn na het einde van de maand waarin de belastingplicht in verband met de verworven goederen en diensten is ontstaan, wordt vermeld in de passende belastingaangifte, maar voor het overige niet in de weg staat aan de invoering van een dergelijke termijn.

 

Prejudiciële vraag:

Moet artikel 167 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1), in samenhang met artikel 178 daarvan, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling, die aan de uitoefening van het recht op aftrek van voorbelasting in hetzelfde belastingtijdvak als dat waarin de verschuldigde belasting moest worden betaald over de handelingen die intracommunautaire verwerving van goederen vormen, de voorwaarde stelt dat de uit hoofde van die handelingen verschuldigde belasting wordt vermeld in de passende belastingaangifte die wordt ingediend binnen de verplichte termijn (in Polen 3 maanden) na het einde van de maand waarin in de belastingplicht verband met de verwerving van de goederen en diensten is ontstaan?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Lotos Group (C-225/18), (C-332/15), Ecotrade SpAr. (C-95/07 en C-96/07), A.S.G. (C-504/04), Société pour l’exportation des sucres (C-56/86), Roquette Frères (C-47/86), (C-8/89), Salomie i Oltean (C-183/14), Senatex (C-518/14).

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal