C-896/19 Repubblika

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     7 februari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     24 maart 2020

Trefwoorden : onafhankelijkheid rechters, benoemingen voor de rechterlijke macht, eerlijk proces

Onderwerp :

Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

 

Feiten:

Verzoekster is een bij het register van de rechtspersonen als rechtspersoon geregistreerde vereniging genaamd Repubblika. Verzoeksters vordering is beperkt tot het aanvechten van de op 25-04-2019 van kracht geworden benoemingen van de drie nieuwe magistraten en de aanstelling tot rechter van drie bestaande magistraten, en alle andere benoemingen die in afwachting van de uitkomst van deze procedure eventueel plaatsvinden. Zij verzoekt onder andere dat wordt verklaard dat in het huidige stelsel van benoemingen voor de rechterlijke macht, zoals geregeld in de artikelen 96, 96A en 100 van de Grondwet, Malta zijn verplichtingen krachtens de gecombineerde bepalingen van de tweede alinea van artikel 19, lid 1, VEU, en artikel 47 van het Handvest, artikel 39 van de Grondwet zelf en artikel 6 van het EVRM niet nakomt. Verweerder, de minister-president van Malta, is het hier niet mee eens. Hij betoogt dat in het Maltese rechtsstelsel een mechanisme is vastgesteld dat een effectieve toegang biedt tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, waardoor een doeltreffende voorziening in rechte in het kader van het procesrecht wordt gewaarborgd. Verzoekster heeft bij de burgerlijke rechter verzocht om een spoedige behandeling alsook om de onmiddellijke stopzetting van de benoemingen van magistraten en rechters die op diezelfde dag van kracht zouden worden. Tijdens een terechtzitting op 07-10-2019 heeft verzoekster de rechter verzocht om een prejudiciële verwijzing. De rechter heeft vervolgens gelast dat opmerkingen zouden worden ingediend over de wenselijkheid van een dergelijke verwijzing. In haar opmerkingen heeft verzoekster betoogd dat de bijna onbeperkte discretionaire bevoegdheid van de minister-president met betrekking tot de benoeming van leden van de rechterlijke macht zoals die blijkt uit een lezing van de relevante artikelen in de Grondwet objectief gezien van dien aard is dat zij geen geruststelling biedt en twijfel doet rijzen over de scheiding tussen de leden van de rechterlijke macht en over externe factoren die een invloed kunnen uitoefenen op hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid. Wat de zaak ten gronde betreft, voegt verzoekster daaraan toe dat hij het bewijs kan leveren dat ten minste negentien van de sinds 2013 aangestelde leden van de rechterlijke macht zeer actief waren binnen de Labour Party, die momenteel de regerende partij is, of benoemd zijn op een wijze die een vermoeden van politieke inmenging in de rechterlijke macht doet ontstaan. Verweerder geeft aan dat alle kandidaten op hun geschiktheid zijn beoordeeld door het comité voor rechterlijke benoemingen, welke bestaat uit leden die niet vanuit constitutioneel oogpunt, maar ook met betrekking tot hun respectieve functies, onafhankelijkheid genieten.

 

Overweging:

Na een grondige analyse van deze opmerkingen is de verwijzende rechter van oordeel dat in deze zaak verduidelijkingen vereist zijn van het Hof betreffende de uitlegging van artikel 19, lid 1, VEU en artikel 47 van het Handvest, in het licht van de omstandigheden van deze zaak. De verwijzende rechter stelt dat de belangrijkste te beoordelen kwestie betrekking heeft op de discretionaire bevoegdheid van de minister-president, krachtens de artikelen 96, 96A en 100 van de Grondwet, bij de benoeming van alle leden van de rechterlijke macht, en op de wijze waarop in dat kader al dan niet verbeteringen zijn aangebracht door de grondwetswijzigingen van 2016. Hij meent echter dat deze kwestie moet worden behandeld in de context van een beoordeling van het systeem in zijn geheel, met inbegrip van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een eerlijk proces in Malta.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moeten artikel 19, lid 1, tweede [alinea], VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, afzonderlijk of in onderlinge samenhang gelezen, geacht worden van toepassing te zijn met betrekking tot de rechtsgeldigheid van de artikelen 96, 96A en 100 van de Grondwet van Malta?

2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet de bevoegdheid van de minister-president bij de benoeming van de leden van de rechterlijke macht in Malta worden geacht in overeenstemming te zijn met artikel 19, lid 1, VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, mede in het licht van artikel 96A van de Grondwet dat in werking is getreden in 2016?

3) Indien de bevoegdheid van de minister-president niet wordt geacht in overeenstemming te zijn met die bepalingen, moet die vaststelling dan alleen in aanmerking worden genomen bij toekomstige benoemingen of dient het ook gevolgen te hebben voor eerdere benoemingen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Commissie/Polen (C-619/18)

Specifiek beleidsterrein: JenV