C-900/19 One Voice et Ligue pour la protection des oiseaux

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     4 februari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     21 maart 2020

Trefwoorden : jachtmethoden, vogelrichtlijn, bijvangsten

Onderwerp :

Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (vogelrichtlijn).

 

Feiten:

Ingevolge de Franse regelgeving is het in vijf departementen van het Zuidoosten van Frankrijk toegestaan lijm te gebruiken om lijsters en merels te vangen die als lokvogel worden gebruikt, onder de voorwaarden die zijn opgenomen in een besluit dat met name erin voorziet het aantal lokvogels jaarlijks bij ministerieel besluit te beperken. Twee verenigingen voor de bescherming van dieren veroordelen het gebruik van lijm, hetwelk volgens hen een wrede vangstmethode is, en klagen het vangen aan van vogelsoorten die volgens de huidige stand van de wetenschap een aanzienlijke afname van de populaties ervan te zien geven en gevoelig zijn voor lijden. Zij hebben beroep ingesteld bij de hoogste bestuursrechter in Frankrijk en stellen dat de Franse wettelijke regeling in strijd is met artikel 9, lid 1, van de vogelrichtlijn. Zij wijzen er om te beginnen op dat artikel 8 van de vogelrichtlijn methoden voor het massale of niet-selectieve vangen en in het bijzonder met lijm, verbiedt. Artikel 9 van de vogelrichtlijn staat de lidstaten toe, om „indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat” van dit verbod af te wijken. De Franse autoriteiten staan het vangen van vogels door het gebruik van lijm echter toe onder omstandigheden die niet strikt gecontroleerd worden, terwijl deze vangstmethode niet-selectief is, zonder dat zij hebben nagegaan of er een andere bevredigende oplossing bestaat en hebben aangetoond dat de toegestane vangsten kleine hoeveelheden betreffen.

 

Overweging:

De verwijzende rechter geeft aan dat het Hof in het arrest Commissie/Malta heeft vastgesteld dat een nationale regeling betreffende een andere traditionele jachtmethode niet selectief was omdat er sprake was  van „bijvangsten”, zonder de omvang van deze bijvangsten te preciseren. De verwijzende rechter stelt daarom een prejudiciële vraag over het begrip „bijvangst” en het vereiste selectieve karakter van de in artikel 9, lid 1, onder c), van de vogelrichtlijn opgenomen afwijking. Verder geeft de verwijzende rechter aan aan dat de Franse wetgeving het gebruik van lijm toestaat onder de daarin gestelde voorwaarden, op grond dat, „er geen andere bevredigende oplossing bestaat”. Aangezien de betrokken jachtmethode in de departementen waar deze is toegestaan, een traditioneel gebruikte jachtmethode is, vraagt de verwijzende rechter zich af of het behoud van een traditionele recreatieve jachtmethode op zich kan inhouden dat er geen andere bevredigende oplossing in de zin van artikel 9, lid 1, van de richtlijn bestaat, zodat kan worden afgeweken van het in artikel 8 opgenomen verbod.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 9, lid 1, onder c), van richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat lidstaten het gebruik van middelen, installaties, of methoden voor het vangen of doden toestaan die, ook al is het minimaal en strikt tijdelijk, tot bijvangst kunnen leiden? Zo ja, welke criteria die met name betrekking hebben op het beperkte aandeel of de beperkte omvang van deze bijvangst, op het feit dat de toegestane jachtmethode in beginsel niet dodelijk is en op de verplichting om de per ongeluk gevangen exemplaren zonder ernstige schade vrij te laten, kunnen worden aangehouden om aan te nemen dat aan het selectiviteitscriterium van deze bepaling is voldaan?

2) Moet richtlijn [2009/147/EG] van 30 november 2009 aldus worden uitgelegd dat met de doelstelling van het behoud van het gebruik van traditionele middelen en methoden voor de vogeljacht, voor recreatieve doeleinden, voor zover aan alle andere in artikel 9, lid 1, onder c), gestelde voorwaarden voor deze afwijking is voldaan, kan worden gerechtvaardigd dat er geen andere bevredigende oplossing in de zin van artikel 9, lid 1, bestaat, zodat kan worden afgeweken van het in artikel 8 van de richtlijn vastgelegde beginsel dat deze jachtmiddelen en -methoden verboden zijn?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Commissie/Malta (C-557/15), Commissie/Frankrijk (C-252/85)

Specifiek beleidsterrein: LNV