C-905/19 Kreis Groß-Gerau

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     17 februari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     3 april 2020

Trefwoorden : werkvergunning, verblijfsvergunning, verkorting met terugwerkende kracht

Onderwerp :

Euro-mediterrane overeenkomst van 26 januari 1998 waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tunesië, anderzijds, gesloten te Brussel op 17 juli 1995 en goedgekeurd namens de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal bij besluit 98/238/EG, EGKS van de Raad en de Commissie van 26 januari 1998.

 

Feiten:

Verzoeker, een Tunesische onderdaan, is op 11-05-2016 in de Republiek Tunesië gehuwd met de Duitse onderdaan S. Hij is op 21-09-2016 binnengekomen in de Bondsrepubliek met een met goedkeuring van verweerder, district Gross-Gerau door de Duitse ambassade in Tunis op 21-09-2016 afgegeven en tot en met 19-12-2016 geldig visum met het oog op gezinshereniging. Door het hoofd van het district is hem op 03-11-2016 voor de eerste keer een tijdelijke verblijfsvergunning verleend, geldig tot en met 23-02-2019, die verzoeker het wettelijk recht toekent om een beroepsactiviteit uit te oefenen. Deze verblijfsvergunning is op 09-01-2019 verlengd tot en met 08-01-2022. Op 13-06-2018 is verzoekers zoon, die Duits onderdaan is, in de Bondsrepubliek geboren. De echtgenote en verzoeker hebben op 15-04-2019 tegen verweerder verklaard dat zij in januari 2019 uit elkaar waren gegaan en voornemens waren te scheiden. Bij besluit van 24-07-2019 heeft verweerder de geldigheidsduur van de nog tot en met 08-01-2022 geldige verblijfsvergunning van verzoeker met terugwerkende kracht verkort tot de dag waarop het besluit is betekend. Er is geen besluit aangaande het verlenen van een verblijfsvergunning met het oog op verzoekers Duitse zoon vastgesteld, aangezien verzoeker geen dergelijk verzoek om een verblijfsvergunning had ingediend. Verzoeker is gesommeerd om de Bondsrepubliek uiterlijk 14-08-2019 te verlaten. Verzoeker is bedreigd met uitzetting naar Tunesië voor het geval hij niet binnen de gestelde termijn vrijwillig zou vertrekken. Ter motivering wordt uiteengezet dat de verblijfsvergunning krachtens § 7, lid 2, tweede volzin, van de Duitse vreemdelingenwet met terugwerkende kracht kan worden verkort, omdat er sinds eind januari 2019 geen sprake meer is van een gezinsverband van verzoeker met zijn Duitse echtgenote. Verzoeker heeft beroep ingesteld bij faxbericht van 06-03-2019. Ter motivering voert hij aan dat hij als vader van een Duits kind recht heeft op een verblijfsvergunning.

 

Overweging:

De verwijzende rechter benadrukt dat verzoeker op het tijdstip van de betekening van het vreemdelingenrechtelijke besluit in het bezit was van een tot en met 08-01-2022 geldige verblijfsvergunning en derhalve het wettelijk recht had om arbeid te verrichten totdat deze verblijfsvergunning verliep. Volgens Duitse rechtspraak staat het discriminatieverbod van artikel 64, lid 1, van de Euro-mediterrane overeenkomst niet in de weg aan een verkorting met terugwerkende kracht van de verblijfsvergunning en een daarmee samenhangende intrekking van de wettelijke toestemming tot het verrichten van arbeid. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat het bij het met terugwerkende kracht beperken van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning, waarmee tegelijkertijd het recht op het verrichten van arbeid wordt ingetrokken, niet noodzakelijk is dat aan de migrerende werknemer met betrekking tot het verrichten van arbeid verdergaande rechten zijn verleend dan aangaande het verblijf. De verwijzende rechter kan uit de bestaande rechtspraak van het Hof echter niet afleiden welke concrete eisen moeten worden gesteld aan de status op grond van het werkvergunningenrecht. De vraag rijst dus of de status op grond van het discriminatieverbod van artikel 64 van de Euro-mediterrane overeenkomst met Tunesië naast de verblijfsvergunning, een afzonderlijke vergunning vereist om arbeid te mogen verrichten. Aangezien de situatie feitelijk en rechtens in de gerechtelijke procedure wordt beoordeeld aan de hand van de situatie ten tijde van de rechterlijke beslissing, rijst ook de vraag welk tijdstip bepalend is voor de beoordeling van de status ingevolge het verblijfsrecht en het recht op een werkvergunning.

 

Prejudiciële vragen:

1) Kan uit het discriminatieverbod van artikel 64 van de Euro-mediterrane overeenkomst met Tunesië een verbod worden afgeleid tot het verkorten van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning wegens het achteraf wegvallen van de voorwaarden voor de afgifte van deze verblijfsvergunning, indien

• de Tunesische onderdaan arbeid verrichtte op het tijdstip van de betekening van de verkorting met terugwerkende kracht van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning,

• het besluit tot verkorting niet berust op redenen die dienen ter bescherming van een gerechtvaardigd overheidsbelang, zoals de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid, en

• de Tunesische onderdaan geen van de verblijfsvergunning losstaande vergunning tot het verrichten van arbeid (werkvergunning) bezat, maar krachtens de wet gedurende de geldigheid van de verblijfsvergunning arbeid mocht verrichten?

2) Veronderstelt de status van een vreemdeling op grond van het discriminatieverbod van artikel 64 van de Euro-mediterrane overeenkomst met Tunesië, dat naast de verblijfsvergunning een bestuursrechtelijke vergunning om arbeid te mogen verrichten wordt verleend?

3) Welk tijdstip is bepalend voor de beoordeling van de status ingevolge het verblijfsrecht en het recht op een werkvergunning?

4) Is het tijdstip van vaststelling van het bestuursrechtelijke besluit waarbij het verblijfsrecht wordt ingetrokken bepalend, dan wel het tijdstip van de rechterlijke beslissing?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-97/05), (C-416/96),

Specifiek beleidsterrein: JenV-DMB