C-909/19 Unitatea Administrativ Teritorială D

Prejudiciële hofzaak  

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     6 maart 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     21 april 2020

Trefwoorden : arbeidstijd, beroepsopleidingscursussen, rusttijd

Onderwerp :

Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd.

 

Feiten:

Verzoeker is tewerkgesteld door verweerster als brandweerman bij de vrijwillige dienst voor noodsituaties. Verweerster is een decentrale bestuurlijke eenheid. Krachtens nationale regelgeving, met name besluit nr. 96/2016, heeft verweerster verzoeker verzocht een cursus in het kader van beroepsopleiding te volgen voor de specialisatie van hoofd van de betreffende dienst. Daartoe heeft zij op 22-02-2017 een overeenkomst gesloten met een vennootschap die gespecialiseerd is in beroepsopleiding (Euroasia SRL). De kosten van deze cursussen zijn door verweerster gedragen. Na te zijn geslaagd voor de cursussen, heeft verweerster de bevoegde autoriteiten verzocht om toestemming voor de tewerkstelling van verzoeker in de functie van hoofd van de vrijwillige dienst voor noodsituaties. Met het oog op de specialisatie van hoofd van de vrijwillige dienst voor noodsituaties diende verzoeker 160 uur beroepsopleiding te volgen. Van de 160 uur professionele ontwikkeling heeft verzoeker 124 uur buiten de normale arbeidstijden gevolgd. Hij heeft geen verlof voor beroepsopleiding gevraagd of gekregen en eist uitbetaling van het salaris over de 124 genoemde uren. Daartoe heeft verzoeker beroep ingediend bij de Roemeense rechter in eerste aanleg, welke het beroep heeft verworpen. De rechter in eerste aanleg heeft geoordeeld dat deelname aan een cursus in het kader van een beroepsopleiding geen „arbeid” is in de zin van de nationale wetgeving, noch dat het gaat om „arbeidstijd” in de zin van richtlijn 2003/88. Verzoeker heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

 

Overweging:

Volgens de verwijzende rechter is de bezoldiging van de werknemer weliswaar een kwestie van nationaal recht, maar vereist de beslechting van de onderhavige zaak dat vanuit het oogpunt van het Unierecht wordt vastgesteld wat de juridische aard is van de tijd die een werknemer besteedt aan beroepsopleiding buiten zijn gebruikelijke werkplek, op verzoek en ten behoeve van de werkgever, naast de normale arbeidstijden, gedurende de week en op de wekelijkse rustdagen. Met betrekking tot de eerste vraag stelt de verwijzende rechter dat in de onderhavige zaak, het volgen van de beroepsopleidingscursus evenwel een beperking is van de volledige en vrije uitoefening van het recht op rust, aangezien de werknemer de uit tijdverlies en afstand voortvloeiende beperking ondergaat om die cursus te volgen. De verwijzende rechter vraagt zich daarom af of dit valt onder het begrip arbeidstijd. Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord acht de verwijzende rechter het noodzakelijk, aangezien de lidstaten de nuttige werking van de voorschriften van de richtlijn en de middelen betreffende de naleving van de minimale dagelijkse en wekelijkse rusttijden van werknemers moeten verzekeren, dat het Hof bepaalt of artikel 31, lid 2, van het Handvest en artikel 2, punt 2, en de artikelen 3, 5 en 6 van richtlijn 2003/88 zich verzetten tegen een nationale regeling die de werknemer wel verplicht om beroepsopleidingen te volgen, maar de werkgever niet verplicht om de rusttijd van de werknemer na te leven met betrekking tot het tijdvak waarbinnen de opleidingscursussen worden gevolgd.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moeten de bepalingen van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2003/88/EG betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd aldus worden uitgelegd dat het tijdvak waarin een werknemer verplichte beroepsopleidingscursussen volgt na de normale arbeidstijd, op de locatie van de aanbieder van de opleiding, buiten zijn werkplek en zonder diensttaken te vervullen, arbeidstijd is?

2) Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, moeten artikel 31, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 2, punt 2, en de artikelen 3, 5 en 6 van richtlijn 2003/88/EG aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die beroepsopleiding van de werknemer wel verplicht stelt, maar de werkgever niet verplicht om de rusttijd van de werknemer in acht te nemen in verband met de tijdvakken waarin die beroepsopleiding wordt gevolgd?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-397/01-C-403/01), (C-518/15), (C-303/98) (C-429/09), (C-243/09), (C-151/02), (C-14/04), (C-437/05), , (C-258/10), Federación de Servicios Privados del sindicato Comisiones obreras, (C-266/14), Commissie/Ierland, (C-87/14), CCOO (C-55/18),

Specifiek beleidsterrein: SZW