C-911/19 FBF

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     13 februari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     30 maart 2020

Trefwoorden : artikel 263 procedure; EBA richtsnoeren; productgovernance

Onderwerp :

•          Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit)

•          Richtsnoeren inzake producttoezicht- en -governanceregelingen voor retailbanken EBA/GL/2015/18

 

Feiten:

Op 22-03-2016 heeft de Europese Bankautoriteit (EBA) richtsnoeren inzake producttoezicht- en governanceregelingen voor retailbanken vastgesteld. De Franse prudentiële toezichthouder (ACPR), de nationale toezichthoudende autoriteit, heeft in een op 08-09-2017 op haar website gepubliceerde mededeling verklaard dat zij deze richtsnoeren naleeft en gepreciseerd dat zij van toepassing zijn op de onder haar toezicht staande kredietinstellingen, betalingsinstellingen en instellingen voor elektronisch geld, die alles in het werk moeten stellen om deze richtsnoeren na te leven en ervoor te zorgen dat hun distributeurs zich eraan houden. De Franse bankfederatie (FBF) verzoekt om nietigverklaring van deze mededeling op grond van bevoegdheidsoverschrijding en beroept zich daarbij op de ongeldigheid van de door EBA vastgestelde richtsnoeren. De FBF betwist de bevoegdheid van EBA om richtsnoeren vast te stellen inzake producttoezicht- en -governanceregelingen voor retailbanken. Volgens haar is EBA de draagwijdte van artikel 1 van verordening 1093/2010 te buiten gegaan. Meer bepaald stelt de FBF dat het concept „productgovernance”, het begrip „doelmarkten” en het onderscheid tussen initiators en distributeurs dat in de door EBA vastgestelde richtsnoeren inzake producttoezicht- en -governanceregelingen voor retailbanken is ingevoerd, in geen van de verordeningen en richtlijnen waarin de reikwijdte van de bevoegdheden van EBA is vastgelegd, zijn opgenomen, en met name niet in die welke in punt 1.6 van de EBA-richtsnoeren van 22-03-2016 worden vermeld. De ACPR stelt primair dat tegen de aangevochten mededeling geen bezwaar en beroep openstaat en dat het verzoek derhalve niet-ontvankelijk is en, subsidiair, dat de aangevoerde middelen ongegrond zijn.

 

Overweging:

De Conseil d’État is in casu van mening dat de ontvankelijkheid van de door de FBF opgeworpen exceptie van ongeldigheid dus afhangt van het antwoord op de vraag of de door een Europese toezichthoudende autoriteit uitgevaardigde richtsnoeren het voorwerp kunnen uitmaken van het in artikel 263 VWEU bedoelde beroep tot nietigverklaring. Zo ja, dan moet dus worden nagegaan of een beroepsfederatie langs die weg de geldigheid kan aanvechten van richtsnoeren die gericht zijn tot de leden wier belangen zij behartigt en die haar niet rechtstreeks of individueel raken. Bovendien zou, indien tegen de richtsnoeren van een Europese toezichthoudende autoriteit geen rechtstreeks beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld of indien een dergelijk beroep niet openstaat voor een beroepsfederatie, de ontvankelijkheid van de door de verzoekende federatie bij de Conseil d’État opgeworpen exceptie van ongeldigheid afhangen van de vraag of met betrekking tot deze richtsnoeren een verzoek om een prejudiciële beslissing op grond van artikel 267 VWEU kan worden ingediend. Indien zulks mogelijk is, moet worden

nagegaan of een beroepsfederatie langs die weg de geldigheid kan aanvechten van richtsnoeren die gericht zijn tot de leden wier belangen zij behartigt en die haar niet rechtstreeks of individueel raken.

 

 

Prejudiciële vragen:

1) Kan tegen de door een Europese toezichthoudende autoriteit vastgestelde richtsnoeren beroep tot nietigverklaring worden ingesteld op grond van artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie? Zo ja, kan een beroepsfederatie langs die weg dan de geldigheid aanvechten van richtsnoeren die gericht zijn tot de leden wier belangen zij behartigt en die haar niet rechtstreeks of individueel raken?

2) In geval van een ontkennend antwoord op een van de twee bovengenoemde vragen, kan dan met betrekking tot de door een Europese toezichthoudende autoriteit vastgestelde richtsnoeren een verzoek om een prejudiciële beslissing op grond van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie worden ingediend? Zo ja, kan een beroepsfederatie dan, door het opwerpen van een exceptie, de geldigheid aanvechten van richtsnoeren die gericht zijn tot de leden wier belangen zij behartigt en die haar niet rechtstreeks of individueel raken?

3) Indien de Fédération bancaire française door het opwerpen van een exceptie de door de Europese Bankautoriteit op 22 maart 2016 vastgestelde richtsnoeren kan aanvechten, heeft die Autoriteit door de vaststelling van die richtsnoeren de bevoegdheden overschreden die haar bij verordening nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) zijn toegekend?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-314/85), (C-50/00)

Specifiek beleidsterrein: FIN