C-912/19 Agrimotion

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     18 februari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     4 april 2020

Trefwoorden : gewasbeschermingsmiddelen, parallelhandel, vergunningen

Onderwerp :

Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad.

 

Feiten:

Verzoekster distribueert in Duitsland verschillende gewasbeschermingsmiddelen waarvoor zij een vergunning heeft verkregen. Zij distribueert de gewasbeschermingsmiddelen ook in andere lidstaten, waar deze door de in Polen gevestigde verweerster in voorkomend geval worden opgekocht om in Duitsland te worden ingevoerd en op de markt te worden gebracht. Houdster van de vergunning voor parallelhandel, die door de Duitse bevoegde autoriteit is verleend omdat het middel identiek is aan de ten gunste van verzoekster in Duitsland als referentiemiddelen toegelaten gewasbeschermingsmiddelen, is de onderneming XLLP, die in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd. De bestuurder van verweerster heeft meegedeeld dat hij direct of indirect voor meer dan 75 % in XLLP deelneemt. Vóór de invoer in Duitsland krijgen de jerrycans waarin de gewasbeschermingsmiddelen zijn verpakt een nieuw etiket van verweerster. Op dit etiket staan onder andere de naam van verweerster als distributeur, een nieuwe aanduiding van het betreffende gewasbeschermingsmiddel, de aanduiding van het referentiemiddel in Duitsland en de naam van de houder van de vergunning voor parallelhandel. Verzoekster acht de distributie van deze jerrycans in Duitsland ontoelaatbaar aangezien verweerster niet de houdster is van de vergunning voor parallelhandel. Verweerster is daarentegen van mening dat zij zich kan beroepen op de aan XLLP verleende vergunning voor parallelhandel, wanneer deze, zoals in casu, op de jerrycans staat vermeld. Dit is tevens het standpunt van de bevoegde autoriteit. De Duitse rechter in eerste aanleg heeft verweerster overeenkomstig de vordering veroordeeld tot staking van de distributie en tot informatieverstrekking en vastgesteld dat verweerster verplicht is tot het betalen van schadevergoeding. Verweerster heeft hier hoger beroep tegen ingesteld.

 

Overweging:

De vraag is of verweerster zich op de aan XLLP verleende vergunning voor parallelhandel kan beroepen. Volgens Duits recht zou verzoekster als concurrente van verweerster de distributie van gewasbeschermingsmiddelen in Duitsland in rechte kunnen laten verbieden, indien deze distributie niet zou zijn toegelaten. Of deze distributie niet-toelaatbaar is, hangt af van de uitlegging van artikel 52 van verordening 1107/2009. Zoals opgemerkt door verweerster, lijkt het volgens de praktijk van de bevoegde autoriteiten van verschillende lidstaten mogelijk dat ondernemingen zich kunnen beroepen op de vergunning voor parallelhandel die aan een andere onderneming is verleend. Dit blijkt uit het feit dat in de vergunningsdocumenten een onderscheid wordt gemaakt tussen de vergunninghouder en de importeur. Deze mogelijkheid komt in het bijzonder in aanmerking wanneer, zoals in casu, de houder van de vergunning voor parallelhandel op de jerrycans wordt vermeld en dus een contactpersoon en verantwoordelijke bekend is. Indien dit in beginsel toelaatbaar is, vraagt de verwijzende rechter zich af of daarvoor aanvullende voorwaarden gelden.

 

Prejudiciële vraag:

Kan een onderneming die in de invoerende lidstaat een in de lidstaat van oorsprong toegelaten gewasbeschermingsmiddel op de markt brengt, zich beroepen op de vergunning voor parallelhandel die door de bevoegde autoriteit van de invoerende lidstaat aan een andere onderneming is verleend, wanneer op de jerrycan, waarin het gewasbeschermingsmiddel is verpakt en waarin dit in de invoerende lidstaat op de markt wordt gebracht, naar de vergunninghouder en de invoerende onderneming wordt verwezen? Bestaan er in dit verband aanvullende eisen en, zo ja, welke?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-445/18), (C-260/06 en C-261/06)

Specifiek beleidsterrein: LNV