C-919/19 Generálna prokuratura Slovenskej republiky

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     17 februari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     3 april 2020

Trefwoorden : strafbare feiten, reclassering, familiale banden

Onderwerp :

Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (kaderbesluit).

 

Feiten:

Verweerder, X.Y., onderdaan van Slowakije, is wegens het bijzonder ernstige strafbare feit van roofoverval als bedoeld in § 137, lid 1 en lid 2, onder b), van het Tsjechische wetboek van strafrecht, veroordeeld door de Tsjechische rechter in eerste aanleg, tot een vrijheidsstraf van 8 jaar, die in een penitentiaire inrichting ten uitvoer moet worden gelegd. De rechter in eerste aanleg van Slowakije heeft bij vonnis van 17-05-2018, het vonnis van de Tsjechische rechter in eerste aanleg erkend en uitvoerbaar verklaard. Daarbij heeft deze rechter de gevonniste persoon krachtens artikel 48, lid 4, van het Slowaaks wetboek van strafrecht naar een penitentiaire inrichting met middelzwaar regime gestuurd om zijn straf uit te zitten. Verweerder heeft tegen dit vonnis tijdig hoger beroep ingesteld en heeft daarbij in wezen aangevoerd dat zijn hele familie in Tsjechië woont en werkt en dat zijn familieleden hem iedere maand in de penitentiaire inrichting komen bezoeken. Met zijn zoon en zijn halfbroer, die in Slowakije wonen, heeft hij geen contact omdat zij met hem in conflict zijn. Hij heeft tevens benadrukt dat zijn ouders niet meer in leven zijn en dat hij bijgevolg geen familiebanden of andere verwanten in Slowakije heeft. Om deze redenen heeft de gevonniste X. Y. verzocht om de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Tsjechië en heeft hij een kopie van de huurovereenkomst van zijn woning in Tsjechië bij het verzoekschrift in hoger beroep gevoegd.

 

Overweging:

De verwijzende rechter stelt dat met het kaderbesluit wordt beoogd de reclassering van de gevonniste persoon te bevorderen. Volgens de verwijzende rechter is daarom pas aan de in artikel 4, lid 1, onder a), van het kaderbesluit vastgestelde criteria voldaan indien de gevonniste persoon in de lidstaat waarvan hij onderdaan is familiale, taalkundige, culturele, sociale, economische of arbeidsgerelateerde banden heeft op grond waarvan terecht kan worden verondersteld dat de tenuitvoerlegging van de sanctie in deze lidstaat zijn reclassering zal bevorderen. De nationale Slowaakse regeling volgens welke een beslissing, waarbij aan een onderdaan van deze staat een tot vrijheidsbeneming strekkende sanctie is opgelegd, ook kan worden erkend en ten uitvoer gelegd indien deze onderdaan op het grondgebied van deze staat slechts in formele zin zijn vaste dan wel tijdelijke verblijfplaats heeft, zonder dat hij daar werkelijk familiale, sociale, arbeidsgerelateerde of andere banden heeft die zijn reclassering kunnen bevorderen, verzekert in deze optiek derhalve niet de volle werking van het kaderbesluit, in díe zin dat de erkenning en tenuitvoerlegging van het besluit in deze gevallen bijdraagt aan de reclassering van de gevonniste persoon.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 4, lid 1, onder a), van het kaderbesluit aldus worden uitgelegd dat aan de daarin vastgelegde criteria slechts is voldaan indien de gevonniste persoon in de lidstaat waarvan hij de nationaliteit heeft, familiale, sociale, arbeidsgerelateerde of andere banden heeft, op grond waarvan met recht kan worden verondersteld dat de tenuitvoerlegging van de sanctie in deze staat zijn reclassering kan bevorderen, en dat deze bepaling derhalve in de weg staat aan een bepaling van nationaal recht als die van § 4, lid 1, onder a), van wet nr. 549/2011, volgens welke een vonnis in dergelijke gevallen kan worden erkend en ten uitvoer gelegd op grond van louter de gewone verblijfplaats die formeel in de tenuitvoerleggingsstaat is geregistreerd, zonder in aanmerking te nemen of de gevonniste persoon in deze staat werkelijk banden heeft die zijn reclassering kunnen bevorderen? [Or. 10]

2) Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 4, lid 2, van het kaderbesluit aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat ook in het in artikel 4, lid 1, onder a), geregelde geval nog voordat het vonnis en het certificaat worden toegezonden, dient te verifiëren of de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat in overeenstemming is met de doelstelling de reclassering van de gevonniste

persoon te bevorderen, en in deze context tevens de in deel d), punt 4, van het certificaat verkregen gegevens dient te vermelden, met name indien de gevonniste persoon volgens de overeenkomstig artikel 6, lid 3, van het kaderbesluit kenbaar gemaakte mening verklaart dat hij concrete familiale, sociale en arbeidsgerelateerde banden in de beslissingsstaat heeft?

3) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 9, lid 1, onder b), van het kaderbesluit aldus worden uitgelegd dat er ook een weigeringsgrond voor de erkenning en tenuitvoerlegging van een vonnis bestaat indien in het in artikel 4, lid 1, onder a), van het kaderbesluit geregelde geval, ondanks de in lid 3 van dit artikel bedoelde raadpleging en de eventuele verstrekking van andere noodzakelijke informatie, niet is aangetoond dat er familiale, sociale, arbeidsgerelateerde of andere banden bestaan op grond waarvan met recht kan worden verondersteld dat de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat zijn reclassering kan bevorderen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-106/77), (C-314/08), (C-188/10 en C-189/10), (C-617/10), (C-42/11), , (C-554/14)

Specifiek beleidsterrein: JenV