C-922/19 Stichting Waternet

Prejudiciële hofzaak   

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     20 februari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     6 april 2020

Trefwoorden : consumenten, oneerlijke handelspraktijken, drinkwater

Onderwerp :

•          Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (Richtlijn oneerlijke handelspraktijken).

•          Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad.

 

Feiten:

Waternet is een drinkwaterbedrijf dat krachtens de Drinkwaterwet exclusief is belast met het leveren van drinkwater in de gemeente Amsterdam. Verweerder is sinds september 2012 bewoner van een woning te Amsterdam en heeft zich, toen hij de woning betrok, niet bij Waternet gemeld als nieuwe bewoner. De vorige bewoner heeft zich niet afgemeld met als gevolg dat Waternet drinkwater heeft geleverd op dit adres. Vanaf 18-11-2014 heeft Waternet verweerder facturen toegestuurd voor de levering van drinkwater. Verweerder heeft geen betaling verricht op de door Waternet toegezonden facturen. Waternet vordert in deze procedure, na wijziging van eis en voor zover in cassatie van belang, veroordeling van verweerder tot betaling van € 283,79, vermeerderd met wettelijke rente en kosten. Aan haar vordering heeft Waternet primair ten grondslag gelegd dat zij met verweerder een overeenkomst tot levering van drinkwater heeft gesloten. In hoger beroep heeft zij haar vordering subsidiair gegrond op ongerechtvaardigde verrijking. Verweerder heeft hiertegen ingebracht dat hij geen overeenkomst met Waternet heeft gesloten en dat Waternet ongevraagd drinkwater aan hem heeft geleverd. De kantonrechter heeft de primaire vordering van Waternet afgewezen. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat verweerder geen handelingen heeft verricht waardoor Waternet gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat verweerder het aanbod tot levering van drinkwater heeft aanvaard. Het Hof van Beroep heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en geoordeeld dat het door Waternet aan verweerder geleverde drinkwater voor de periode vanaf 13-06-2014 moet worden aangemerkt als ongevraagde levering in de zin van art. 7:7 lid 2 BW. Voor de periode tot 13-06-2014 moet het geleverde drinkwater worden aangemerkt als een niet door verweerder bestelde zaak als bedoeld in art. 7:7 lid 2 (oud) BW. In cassatie stelt Waternet dat het Hof van Beroep is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het begrip 'ongevraagde levering' in art. 7:7 lid 2 BW. Hier is geen sprake van indien de consument, van wie moet worden aangenomen dat hij behoefte heeft aan water voor de eigen woning, zelf ervoor kiest water af te nemen met gebruikmaking van een wettelijke aansluitings- en leveringsplicht van het waterbedrijf. Daarnaast stelt Waternet dat art 7:7 lid 2 (oud) BW niet van toepassing is op de levering van water. 

 

Overweging:

In deze zaak staat centraal of het door verweerder afgenomen water door Waternet ongevraagd is geleverd en, of dit tot gevolg heeft dat voor verweerder geen betalingsverplichting is ontstaan. De woning van verweerder bevindt zich in het distributiegebied waar Waternet exclusief bevoegd en verplicht is om drinkwater te leveren. Doordat de woning van verweerder niet was afgesloten van de drinkwatervoorziening, is er druk op de waterleidingen in de woning van verweerder blijven staan. Dit had tot gevolg dat Waternet drinkwater aan verweerder leverde telkens wanneer verweerder de kraan opendraaide. Verweerder heeft dus steeds een actieve en bewuste handeling moeten verrichten om daadwerkelijk drinkwater van Waternet af te nemen. In dit opzicht verschilt dit geval van situaties waarin een product geheel spontaan en zonder dat daartoe enig handelen van de consument is vereist, aan een consument wordt toegezonden of verstrekt. De Hoge Raad dient de vraag te beantwoorden of de handelspraktijk van Waternet oneerlijk is op de grond dat sprake is van ongevraagde levering van drinkwater zoals verboden door art. 5 lid 5 en punt 29 van bijlage I van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken en daarmee van een ongevraagde levering in de zin van art. 9 Richtlijn koop op afstand en van art. 27 Richtlijn consumentenrechten. Naar het voorlopig oordeel van de Hoge Raad is een ontkennende beantwoording van die vraag gerechtvaardigd op de grond dat de handelspraktijk van Waternet het economische belang van de gemiddelde consument niet rechtstreeks schaadt en zijn vrijheid van handelen met betrekking tot het afnemen van water niet beperkt. Voorts rijst de vraag of het Unierecht eraan in de weg staat aan te nemen dat tussen Waternet en verweerder een overeenkomst tot stand is gekomen, gegeven de door Waternet aangevoerde omstandigheden dat (i) verweerder, evenals elke andere consument, wist dat aan de levering van drinkwater kosten zijn verbonden, (ii) verweerder niettemin bijna vier jaar lang structureel drinkwater heeft verbruikt, (iii) verweerder, ook nadat hij de welkombrief van Waternet en de daaropvolgende facturen en aanmaningen had ontvangen, zijn waterverbruik heeft voortgezet, en (iv) verweerder, nadat een rechterlijke machtiging was verleend om de drinkwateraansluiting van de woning af te sluiten, heeft laten weten dat hij toch een overeenkomst met Waternet wenste.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moeten art. 9 Richtlijn koop op afstand en art. 27 Richtlijn consumentenrechten, in verbinding met art. 5 lid 5 en punt 29 van bijlage I van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken, aldus worden uitgelegd dat sprake is van een ongevraagde levering van drinkwater in de zin van deze bepalingen, indien de handelspraktijk van het drinkwaterbedrijf in het volgende bestaat:

(i) het drinkwaterbedrijf is op grond van de wet (a) binnen het hem toegewezen distributiegebied exclusief bevoegd en verplicht tot levering van drinkwater door middel van leidingen, en (b) verplicht om degene die daarom verzoekt een aanbod te doen tot aansluiting op de openbare drinkwatervoorziening en om een aanbod te doen tot levering van drinkwater;

(ii) het drinkwaterbedrijf handhaaft de aansluiting van de woning van de consument op de openbare drinkwatervoorziening zoals die bestond voordat de consument de woning betrok, waardoor er druk op de waterleidingen in de woning van de consument staat, en waardoor de consument na het verrichten van een actieve en bewuste handeling - bestaande in het opendraaien van de kraan of een daaraan gelijk te stellen handeling - desgewenst drinkwater kan afnemen, ook nadat de consument kenbaar heeft gemaakt dat hij geen overeenkomst tot levering van drinkwater wenst aan te gaan; en

(iii) het drinkwaterbedrijf brengt kosten in rekening voor zover de consument door het verrichten van een actieve en bewuste handeling daadwerkelijk drinkwater heeft afgenomen, waarbij de gehanteerde tarieven kostendekkend, transparant en niet discriminerend zijn en daarop door de overheid wordt toegezien?

2) Staan art. 9 Richtlijn koop op afstand en art. 27 Richtlijn consumentenrechten, in verbinding met art. 5 lid 5 en punt 29 van bijlage I van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken, eraan in de weg dat wordt aangenomen dat tussen het drinkwaterbedrijf en de consument een overeenkomst tot levering van drinkwater tot stand komt, indien (i) de consument, evenals de gemiddelde consument in Nederland, weet dat aan de levering van drinkwater kosten zijn verbonden, (ii) de consument niettemin gedurende een lange periode structureel drinkwater verbruikt, (iii) de consument, ook nadat hij van het drinkwaterbedrijf een welkombrief, facturen en aanmaningen heeft ontvangen, zijn waterverbruik voortzet, en (iv) de consument, nadat een rechterlijke machtiging is verleend om de drinkwateraansluiting van de woning af te sluiten, laat weten dat hij wel degelijk een overeenkomst met het drinkwaterbedrijf wenst?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Wind Tre en Vodafone Italia (C-54/17 en C-55/17), EVN BulgariaToplofikatsia (C-708/17 en C-725/17)

Specifiek beleidsterrein: EZK, IenW