C-930/19 État belge

Prejudiciële hofzaak  

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     24 februari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     10 april 2020

Trefwoorden : derdelanders, discriminatie, familieleden

Onderwerp :

•          Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.

•          Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG.

 

Feiten:

Verzoeker, X, die de Algerijnse nationaliteit bezit, is op 26-09-2010 getrouwd met S.K., van Franse nationaliteit, te Algerije. Op 22-02-2012 is X op het Belgisch grondgebied aangekomen om zich bij zijn echtgenote te voegen die een vergunning voor verblijf in België bezit. X heeft een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Europese Unie ontvangen. Echtgenoten X en S.K. hebben een kind. Na vijf jaar huwelijk en twee jaar samenwonen in België, moest X de echtelijke woning gedwongen verlaten omdat hij het slachtoffer was van partnergeweld. X heeft  zich vervolgens gedomicilieerd, op een ander adres dan zijn vrouw en dochter, in Frankrijk. Op 14-12-2017 heeft verweerder, de Belgische Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, het verblijfsrecht van X beëindigd. Hij geeft aan dat X niet aantoont dat hij over eigen bestaansmiddelen beschikt zodat hij niet meer afhankelijk is van sociale bijstand, zoals voorgeschreven door de Belgische wetgeving. X bekritiseert de ongerechtvaardigde ongelijke behandeling die hij ondergaat als echtgenoot van een Unieburger ten opzichte van de echtgenoot van een derdelander die een onbeperkt verblijfsrecht heeft, in het bijzonder wanneer het huwelijksleven wordt beëindigd wegens partnergeweld. Verweerder geeft aan dat de situatie van een Unieburger niet vergeleken kan worden met de situatie van een derdelander. Hetzelfde geldt voor de situatie van (ex-)familieleden.

 

Overweging:

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat de familieleden die slachtoffer zijn van huiselijk geweld inderdaad verschillend worden behandeld naargelang de gezinshereniging is verkregen met een Unieburger of met een derdelander die een verblijfsvergunning heeft in België. Hoewel beiden een recht hebben op voortgezet verblijf in geval van ontwrichting van het huwelijk als gevolg van gewelddaden, hoeven de familieleden van een derdelander die het slachtoffer werden van dergelijk geweld, in tegenstelling tot familieleden van een Unieburger, geen ander bewijs leveren dan dat van de gewelddaden. In het onderhavige geval heeft verweerder een wettelijke bepaling toegepast waarbij artikel 13, lid 2, van richtlijn 2004/38/EG is omgezet. Deze regeling verschilt van de regeling die in een andere richtlijn is vastgesteld voor gezinsleden van een derdelander. Volgens vaste rechtspraak van het Hof zijn de nationale rechterlijke instanties niet bevoegd om uitspraak te doen over de onwettigheid van de handelingen van de Unie. Bijgevolg acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het noodzakelijk zich tot het Hof te wenden met het verzoek zich uit te spreken over de vraag of de verschillende behandeling door de Uniewetgever van twee categorieën familieleden, die onder verschillende Unierechtelijke handelingen vallen, een discriminatie in het leven roept.

 

Prejudiciële vragen:

Levert artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, schending op van de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, voor zover daarin is bepaald dat de scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of beëindiging van een geregistreerd partnerschap niet leiden tot het verlies van het verblijfsrecht van de familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, met name indien bijzonder schrijnende situaties zulks rechtvaardigen, bijvoorbeeld wanneer een familielid tijdens het huwelijk of het geregistreerd partnerschap slachtoffer is geweest van huiselijk geweld, maar alleen op voorwaarde dat de betrokkenen aantonen dat zij werknemer of zelfstandige zijn, of voor zichzelf en hun familieleden over toereikende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van de socialebijstandsregeling van het gastland, dat zij een ziektekostenverzekering voor alle risico’s in het gastland hebben afgesloten, of dat zij lid zijn van de reeds in het gastland gevormde familie van een persoon die aan deze voorwaarden voldoet, terwijl artikel 15, lid 3, van richtlijn 2003/86/EG van de Raad inzake het recht op gezinshereniging, dat in diezelfde mogelijkheid van behoud van het verblijfsrecht voorziet, daarvoor die voorwaarde niet oplegt?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-22/08 en C-23/08), (C-314/85),

Specifiek beleidsterrein: JenV-DMB