C-932/19 OTP Jelzálogbank e.a.

Prejudiciële hofzaak  

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     28 februari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     14 april 2020

Trefwoorden : telecommunicatiediensten, internettoegangsdienst, consumenten

Onderwerp :

Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten

 

Feiten:

Verzoekster heeft een overeenkomst betreffende een persoonlijke lening, een overeenkomst van geldlening onder hypothecair verband en een leningsovereenkomst gesloten met verweersters I, II, en III. De kredietverleners hebben zich in alle drie de overeenkomsten ertoe verplicht een lening in vreemde valuta te verstrekken aan verzoekster die als consument moet worden beschouwd. De kredietverleners hebben de eerste twee leningsovereenkomsten nadien opgezegd en hun vordering gecedeerd aan verweerster III. De derde overeenkomst is beëindigd wegens nakoming door verzoekster. In haar verzoekschrift betoogde verzoekster dat alle leningsovereenkomsten nietig zijn. Wat betreft de hypothecaire geldlening vorderde zij dat voor recht wordt verklaard dat de overeenkomst geldig is tot op de datum waarop de beslissing wordt gegeven en dat haar schuld wordt vastgesteld op 3 310 525 HUF, waarop vanaf 13-03-2015 tot op de datum waarop de beslissing wordt gegeven een normale rente van 5,99 % en vanaf de datum waarop de beslissing wordt gegeven tot aan de voldoening van de schuld de wettelijke vertragingsrente van toepassing zijn. Daarnaast vorderde zij dat verweerster II wordt veroordeeld tot betaling van 619 460 HUF voortvloeiend uit de persoonlijke lening en 605 159 HUF uit hoofde van de met het oog op de herfinanciering van de schuld verstrekte lening, vermeerderd met de rente over deze bedragen. De rechter in eerste aanleg heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft verzoekster hoger beroep aangetekend. In hoger beroep heeft verzoekster tevens aangevoerd dat de rechter in tweede aanleg overeenkomstig het arrest van het Hof in zaak C-260/18 passende gevolgen diende te verbinden aan de oneerlijkheid die voortvloeit uit de toepassing van verschillende wisselkoersen. Ten slotte benadrukte verzoekster dat de door de bank verstrekte informatie over het wisselkoersrisico inadequaat was.

 

Overweging:

Naar aanleiding van de arresten van het Hof in de zaken C-118/17 en C-260/18 is thans een groot aantal zaken bij de Hongaarse rechterlijke instanties aanhangig waarin consumenten de rechter steeds vaker verzoeken om vast te stellen dat de overeenkomst wegens het oneerlijke karakter van het beding betreffende de wisselkoersspread in haar geheel nietig is, en te kennen geven dat zij, gelet op de gevolgen van het doorgaans op hen rustende en aanzienlijke wisselkoersrisico, niet wensen dat het nietige beding wordt vervangen door een nationaal voorschrift van aanvullend recht, dat hen naar hun oordeel niet beschermt tegen de uiterst nadelige consequenties van nietigverklaring. Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat de Hongaarse rechtspraktijk sindsdien geen mogelijkheid heeft gezien om, wanneer het oneerlijke karakter van het beding inzake het wisselkoersrisico niet kan worden vastgesteld, de bepalingen van artikel 3, leden 1 en 2, van de nationale wet DH1 terzijde te schuiven en de rechtsbetrekking louter op basis van de nietigheid van het beding inzake de wisselkoersspread te beëindigen en daaraan als rechtsgevolg de nietigheid van de gehele overeenkomst te verbinden. De rechter in tweede aanleg bij wie de onderhavige zaak aanhangig is, twijfelt in het licht van het feit dat de bepalingen van § 3, leden 1 en 2, van wet DH1 moeten worden toegepast ondanks de uitdrukkelijke andersluidende wens van de consument, of deze bepalingen van nationaal recht dienen te worden aangemerkt als strijdig met de regeling van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 en, zo ja, of zij dan buiten toepassing moeten worden gelaten.

 

Prejudiciële vraag:

Verzet artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten zich tegen een bepaling van nationaal recht die bedingen in leningsovereenkomsten met consumenten – met uitzondering van bedingen waarover afzonderlijk is onderhandeld – nietig verklaart wanneer daarin is bepaald dat de financiële instelling voor de vrijgave van de middelen voor de aankoop van het goed waarvoor de lening is aangegaan of voor de leasing de aankoopkoers toepast, maar voor de aflossing de verkoopkoers of een andere soort koers toepast dan die welke voor de vrijgave van de middelen wordt gehanteerd, en het nietige beding zowel voor de uitbetaling als voor de terugbetaling vervangt door een bepaling die voorziet in toepassing van de officiële wisselkoers die door de Nationale Bank van Hongarije voor de betrokken valuta is vastgesteld, zonder dat er rekening mee wordt gehouden of die bepaling de consument – in het licht van alle bedingen van de overeenkomst – daadwerkelijke bescherming biedt tegen uiterst nadelige consequenties en zonder dat hem gelegenheid wordt geboden om kenbaar te maken of hij aanspraak wil maken op de door de betrokken wettelijke bepaling geboden rechtsbescherming?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Banco Español de Crédito SA (C-618/10), (C-26/13), (C-483/16), OTP Bank en OTP Faktoring (C-51/17), (C-118/17), (C-260/18),

Specifiek beleidsterrein: EZK