C-935/19 Grupa Warzywna

Prejudiciële hofzaak  

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     26 februari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     12 april 2020

Trefwoorden : btw; fiscale neutraliteit

Onderwerp :

-           Artikel 4, lid 3, VEU;

-           Artikel 325 VWEU;

-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1), zoals gewijzigd;

 

Feiten:

Grupa Warzywnej (verzoekster) heeft een ontwikkeld onroerend goed verworven. Verzoekster heeft de verschuldigde belasting als aftrekbare voorbelasting opgenomen in de ingediende aangifte. Het gevolg was dat de op de bankrekening van verzoekster gestorte teruggaaf van de voorbelasting een overschot vertoonde t.o.v. de verschuldigde belasting. Omdat er een belastingcontrole werd gestart, heeft er geen daadwerkelijk btw-teruggaaf plaatsgevonden. Het in eerste instantie bevoegd belastingorgaan stelde vast dat verzoekster geen recht had op aftrek van de voorbelasting. Verzoekster diende hierop een correctie op de aangifte in. Vervolgens legde het in eerste instantie bevoegd belastingorgaan verzoekster een bijkomende belastingverplichting op. In het hiertegen ingediende bezwaar heeft het in tweede aanleg bevoegde belastingorgaan geoordeeld dat de ingediende correctie doel trof en dat er geen gronden bestonden voor een belastingbeschikking. Echter, werd het gedeelte van de beschikking waarin de bijkomende belastingverplichting was vastgesteld gehandhaafd. In haar beroep bij de bestuursrechter in eerste aanleg heeft verzoekster verzocht om nietigverklaring van de bestreden beschikking op grond van onder meer schending van het evenredigheidsbeginsel en het neutraliteitsbeginsel in de btw, en heeft daarbij benadrukt dat er in dit geval geen sprake was van een financieel verlies voor de schatkist, omdat de aangegeven belastingteruggaaf niet had plaatsgevonden.

 

Overweging:

In de toelichting bij de op 1 januari 2017 ingevoerde wetswijziging heeft de wetgever aangegeven dat het, gezien de omvang van de btw-fraude op dat moment, gerechtvaardigd was opnieuw sancties in te voeren om de inning van de btw te verbeteren. Volgens de verwijzende rechter moet worden beoordeeld of de toepassing van sancties in de vorm van een bijkomende belastingverplichting, in een situatie waarin als gevolg van een onjuiste opvatting van een toepasselijke wettelijke bepaling in wezen geen belastinginkomsten zijn gederfd, verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel, en of het opleggen van deze bijkomende verplichting daadwerkelijk tot doel heeft belastingfraude te voorkomen dan wel louter een aanvullende fiscale maatregel vormt. De verwijzende rechter acht een prejudiciële uitspraak absoluut noodzakelijk om het voor hem aanhangige geding te beslechten, en heeft daarom besloten het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing.

 

Prejudiciële vraag:

Is de bijkomende belastingverplichting als bedoeld in artikel 112b, lid 2, van de btw-wet verenigbaar met het bepaalde in richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1, zoals gewijzigd; hierna: „btw-richtlijn”) (meer bepaald de artikelen 2, 250 en 273), artikel 4, lid 3 VEU, artikel 325 VWEU en het evenredigheidsbeginsel?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-564/15; C-101/16; C-502/-7; C-308/16; C-138/12; C-617/10; C-310/16

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal