C-937/19 Staatsanwaltschaft Köln et Bundesamt für Güterverkehr

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     4 maart 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     19 april 2020

Trefwoorden : goederen, internationaal vervoer, cabotagevervoer,

Onderwerp :

Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg.

 

Feiten:

Bij een wegcontrole op 10-07-2018 is geconstateerd dat met het voertuig van betrokkene, die eigenaar van de in Polen gevestigde KA-onderneming is, papier en karton in de vorm van in totaal in 19 balen opgeslagen Multidruck van de laadplaats in Krositz naar de losplaats van een bedrijf in Schwedt werd vervoerd (cabotagevervoer). Betrokkene is op 09-10-2018 in zijn hoedanigheid van eigenaar van de onderneming KA gehoord door het Bundesamt für Güterverkehr. Hij stelde in zoverre te beschikken over alle vereiste documenten op grond waarvan hij gerechtigd was internationaal goederenvervoer te verrichten. Op de dag van de controle had de gecontroleerde vrachtwagen met bij hem gefabriceerde en door een klant in Duitsland gekochte producten met een vrachtbrief (CMR) het fabrieksterrein verlaten. Naar zijn mening verleende dit eigen vervoer hem volgens artikel 8, lid 6, van verordening 1072/2009 eveneens het recht tot het vrij verrichten van cabotagevervoer. Op 30-10-2018 heeft het met het straftoezicht belaste Bundesamt für Güterverkehr een boetebeschikking vastgesteld wegens verwijtbare overtreding van de voorschriften betreffende cabotagevervoer. Betrokkene heeft hier bezwaar tegen ingesteld. Hij stelt dat hij met eigen goederen reed en deze aan de koper had geleverd. Hij huurde de goederen (bijvoorbeeld de pallets) dus niet. Er is volgens hem ook sprake van ongelijke behandeling, want als hij de gekochte producten zou vervoeren en Duitsland binnenbrengen, dan zou het bij het daaropvolgende vervoer om toegestane cabotage gaan. Het Bundesamt für Güterverkehr heeft onder verwijzing naar de opzet van artikel 8 van verordening 1072/2009 een eerder internationaal vervoer in het kader van eigen vervoer als niet toereikend beschouwd om een erop volgend cabotagevervoer in Duitsland toe te staan. Het Bundesamt für Güterverkehr voert aan dat vervoer dat als vervoer voor eigen rekening kan gelden, principieel is vrijgesteld van de verplichting tot overlegging van bepaalde documenten met als gevolg dat de simpele bewering dat men als vervoerder voor eigen rekening onderweg was, reeds zou volstaan voor de aanname dat dit vervoer ook tot toegestaan cabotagevervoer moet leiden.

 

Overweging:

De verwijzende rechter is op basis van de hem beschikbare informatie van mening dat het cruciale gegeven in casu de vraag betreft of het vervoer van goederen over de weg van een lidstaat naar een andere lidstaat volgens artikel 1, lid 5, van verordening 1072/2009 tegelijkertijd een inkomend internationaal vervoer in de zin van artikel 8, lid 2, eerste volzin, ervan is. De verwijzende rechter vindt de beantwoording van die vraag zoals gezegd niet alleen van belang voor de beslechting van het geschil, maar hij acht die anderzijds ook geschikt met het oog op de uniforme handhaving van de regeling in alle lidstaten van de Europese Unie opportuun, aangezien uit het verzoek van het Poolse Ministerie voor Infrastructuur in de versie van de beschikbare, niet-officiële Duitse vertaling ervan blijkt dat deze vraag in verschillende landen van de Europese Unie mogelijkerwijs verschillend wordt beantwoord.

 

Prejudiciële vraag:

Dient artikel 8, lid 2, eerste volzin, van verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 [tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg] aldus te worden uitgelegd dat ook sprake is van inkomend internationaal vervoer als bedoeld in die bepaling wanneer dit vervoer plaatsvindt in het kader van vervoer dat wordt verricht volgens artikel 1, lid 5, onder d), van deze verordening?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: IenW