C-94/19 San Domenico Vetraria

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

 

Termijnen: Motivering departement: 3 april 2019
Schriftelijke opmerkingen: 20 mei 2019

Trefwoorden : btw; fiscale neutraliteit

Onderwerp :

- Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006, net als de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

 

Feiten:

In 2004 was een bedrijfsleider van Avir SpA, de moederonderneming van San Domenico Vetraria SpA, bij laatstgenoemde onderneming gedetacheerd als directeur van een van haar vestigingen. De kosten daarvan waren aan San Domenico Vetraria SpA in rekening gebracht. San Domenico Vetraria SpA ontving daarom van haar moederonderneming facturen ten bedrage van de kosten die voor de gedetacheerde bedrijfsleider waren gemaakt, en paste bij de betaling daarvan btw toe om deze vervolgens weer af te trekken. De belastingautoriteit was daarentegen van oordeel dat de vergoedingen, omdat ze geen betrekking hadden op de verlening van diensten tussen moeder- en dochteronderneming, niet aan btw waren onderworpen. De belastingautoriteit vorderde de btw die de belastingplichtige op deze grond had afgetrokken, daarom in. San Domenico Vetraria SpA heeft tegen de daarop volgende naheffingsvordering beroep ingesteld. Zowel het beroep als het hoger beroep werd verworpen. De appelrechter oordeelde dat bij gebreke van bewijs dat de gedetacheerde werknemer een hoger bedrag ontving of andere taken verrichtte dan de taken die hij reeds bij de uitzendende onderneming had, uitsluitend niet-belastbare vergoedingen zijn betaald. Tegen dit arrest stelde San Domenico Vetraria SpA cassatieberoep in. In haar beroepsschrift voerde zij daartoe vier rechtsmiddelen aan. De Agenzia delle Entrate heeft hierop in een verweerschrift geantwoord.

 

Overweging:

De verwijzende rechter twijfelt of de nationale regeling die een dienst als de terbeschikkingstelling van personeel door middel van detachering uitsluit van het toepassingsgebied van de btw, terwijl de vergoeding van de kosten van de betreffende diensten wel belastbaar is, verenigbaar is met het Unierecht. De nationale regeling lijkt namelijk tot een ongerechtvaardigd verschil te leiden in behandeling tussen de verschillende instrumenten waarmee de “terbeschikkingstelling van personeel” wordt verwezenlijkt. Daardoor kan afbreuk gedaan worden aan het beginsel van fiscale neutraliteit.

 

Prejudiciële vraag:

Moeten de artikelen 2 en 6 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 en het beginsel van fiscale neutraliteit aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling, volgens welke de uitlening of detachering van personeel van de moedermaatschappij waarvoor de dochteronderneming uitsluitend de desbetreffende kosten vergoedt, niet relevant dient te worden geacht voor de belasting over de toegevoegde waarde?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Asparuhovo Lake Investment Company OOD C-463/14; MEO - Servigos de Comunicagòes e Multimédia SA C-295/17; SAWP C-37/16; Gemeente Borsele C-520/14; AES-3C Maritza East 1 Eood C-124/12; Soc. Puligienica Facility Esco/Soc. Airgest C-689/13; Commissie/Oostenrijk C-51/18.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal

​​​​​​​