C-95/19 Silcompa

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

 

Termijnen: Motivering departement: 3 april 2019
Schriftelijke opmerkingen: 20 mei 2019

Trefwoorden : accijnzen; fiscaal

Onderwerp :

- Richtlijn 76/308/EEG van de Raad van 15 maart 1976 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit verrichtingen die deel uitmaken van het financieringsstelsel van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, alsmede van landbouwheffingen en douanerechten;

- Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop;

 

Feiten:

Silcompa Spa heeft van 1995 t/m 1996 met schorsing van belasting ethylalcohol verkocht in Griekenland. In januari 2000 heeft de Italiaanse lokale belastingdienst een controle uitgevoerd en een administratieve

samenwerkingsprocedure ingeleid. Daarbij werd duidelijk dat de administratieve documenten van de door Silcompa Spa verzonden partijen alcohol nooit door de Griekse douane waren ontvangen en dat de aangebrachte stempels vals waren. Zowel de Italiaanse als de Griekse belastingadministratie zijn op grond van afzonderlijke en zelfstandige onderzoeken van oordeel dat de overtreding in de eigen lidstaat is gepleegd. In Italië zijn de respectievelijke vorderingen, in verschillende procedures, gelijktijdig in behandeling: I) de vordering van de Agenzia delle Dogane volgens wie de overtreding in Italië is gepleegd, en II) de vordering tot tenuitvoerlegging van de Griekse belastingadministratie, die de Italiaanse staat heeft verzocht om medewerking te verlenen bij de invordering van de accijns. De Griekse vaststelling lijkt te zijn gebaseerd op een strafvonnis, terwijl de Italiaanse vaststelling is gebaseerd op de geconstateerde valse verklaringen in de douanedocumenten. In deze situatie bestaat het gevaar dat de vennootschap Silcompa Spa tweemaal dezelfde bedragen moet betalen.

 

Overweging:

In artikel 20 van richtlijn 92/12 worden specifieke criteria vastgesteld om vast te stellen welke lidstaat daadwerkelijk bevoegd is om de accijns in te vorderen; dit kan slechts één lidstaat zijn. Alleen lid 4 van dit artikel lijkt (in samenhang met lid 3) te verwijzen naar een mogelijkheid dat dubbele heffing plaatsvindt; in dit geval wordt gekeken waar de overtreding heeft plaatsgevonden en wordt de reeds geheven accijns, nadat bewijs van de invordering is geleverd, teruggegeven. Deze vaststelling dient plaats te vinden “vóór het verstrijken van een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum van opstelling van het geleidedocument”, welke termijn in de onderhavige zaak sinds geruime tijd is verstreken. De vraag rijst of ook in het kader van rechtszaken over uitvoeringsmaatregelen voor invordering bij een verzoek om bijstand in casu kan worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 20 van richtlijn 92/12. Deze controle lijkt geen betrekking te hebben op of vraagtekens te zetten bij de vordering of buitenlandse titel die het voorwerp van het beroep zijn, maar betreft de voorwaarde en de grondslag voor de rechtmatigheid van het verzoek om bijstand en dus van alle uitvoeringsmaatregelen.

 

Prejudiciële vraag:

Kan artikel 12, lid 3, van richtlijn 76/308/EEG van de Raad betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde bijdragen rechten en belastingen, alsmede uit andere maatregelen, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/44/EG van de Raad, in samenhang met artikel 20 van richtlijn 92/12/EEG van de Raad betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, aldus worden uitgelegd dat in de rechtszaak die tegen de uitvoeringsmaatregelen voor de invordering is ingeleid, onderzoek kan worden gedaan, en in voorkomend geval binnen welke grenzen, naar de voorwaarde van de plaats (van werkelijke uitslag tot verbruik) waar de onregelmatigheid of overtreding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden indien, zoals in de onderhavige zaak, dezelfde vordering, gebaseerd op dezelfde uitvoerhandelingen, zelfstandig door zowel de verzoekende staat als de aangezochte staat tegen de belastingplichtige wordt ingesteld, terwijl bij de aangezochte staat gelijktijdig zowel de rechtszaak over de nationale vordering als die over de invordering voor een andere lidstaat aanhangig is, en kan de vaststelling in dit onderzoek in de weg staan aan het verzoek om bijstand en dus aan alle uitvoeringsmaatregelen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-233/08; C-34/17; BP Europa SE C-64/15;

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal; ​​​​​​​