C-97/19

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

 

Termijnen: Motivering departement: 29 maart 2019
Schriftelijke opmerkingen: 15 mei 2019

Trefwoorden : herziening douaneaangifte; communautair douanewetboek

Onderwerp :

- Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek;

 

Feiten:

De in Roemenië gevestigde dochteronderneming van verzoekster “Oradea” heeft 45.000 ton rietsuiker van oorsprong uit Brazilië gekocht. De bevoegde instantie in Roemenië heeft aan Oradea op 13.12.2011 een certificaat afgegeven voor de invoer van de voor raffinage bestemde rietsuiker. Oradea heeft op 02.02.2012 een machtiging aan verzoekster verleend om in haar naam “and for their account” douaneaangiften te verrichten. Verzoekster gaf op 24.02.2012 bij het douanehoofdkantoor in Keulen (de verweerder), een deelhoeveelheid van de voor raffinage bestemde rietsuiker in eigen naam aan voor vrij verkeer. In de douaneaangifte verwees zij naar het aan Oradea afgegeven invoercertificaat, en legde ze een kopie over van de machtiging die Oradea aan haar verleend had. Het douanekantoor aanvaardde de aangifte en schreef op het door verzoekster voorgelegde invoercertificaat de betreffende hoeveelheid rietsuiker af. Verweerder legde aan verzoekster –tegen een verlaagd douanetarief- invoerrechten op ter hoogte van 126.113,65 EUR. Verzoekster verzocht verweerder bij schrijven van 10 en 11.01.2013 om herziening van de douaneaangifte omdat zij betwijfelde recht te hebben gehad op toepassing van het verlaagde douanerecht voor de rietsuiker. Verweerder legde aan verzoekster bij beschikking van 24.01.2013 vervolgens een navordering op van 81.158.41 EUR, onder meer vanwege de aangifte van 24.02.2012. Hierbij is het normale douanerecht gebruikt. Ter motivering voerde hij aan dat verzoekster geen recht had op toepassing van het verlaagde douanerecht omdat het invoercertificaat was afgegeven aan Oradea. Verzoekster heeft bezwaar ingesteld tegen die beschikking, en verwees hierbij naar haar verzoek om de douaneaangifte van 24.02.2012 in die zin te herzien dat zij deze had ingediend als indirecte vertegenwoordigster van de aangeefster Oradea. Verweerder heeft het bezwaar afgewezen met de motivering dat de douaneaangifte is herzien, en dat bij deze herziening is gebleken dat de nog niet geheven douanerechten van verzoekster moeten worden nagevorderd. Aangezien verzoekster in de douaneaangifte niet heeft vermeld in naam van Oradea te hebben gehandeld, is zij aangeefster en dus ook schuldenares geworden. Daarnaast is de vermelding van de persoon van de aangever in een douaneaangifte een opzettelijke procedurele stap, en kan deze niet onjuist of volledig blijken te zijn. Een latere wijziging van de naam van de aangever is daarom niet mogelijk.

 

Overweging:

Uit de vermelde rechtspraak van het Hof volgt in de visie van de verwijzende rechter dat de douaneaangifte van 24.02.2012 zo zou kunnen worden herzien en gewijzigd dat de aangeefster niet verzoekster was, maar Oradea, vertegenwoordigd door verzoekster. Hij twijfelt echter of een dergelijke uitlegging van de verordening is toegestaan. Die twijfel wordt ingegeven door een uitspraak van de Hoge Raad, en een vonnis van de financiële rechtbank in Hamburg. Deze rechterlijke instanties hebben zich op het punt gesteld dat een herziening van de douaneaangifte niet tot gevolg mag hebben dat een andere persoon aangever wordt.

 

Prejudiciële vraag:

Dient artikel 78, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek aldus te worden uitgelegd dat in een geval als dat van het hoofdgeding een douaneaangifte zodanig moet worden herzien en gewijzigd dat de gegevens betreffende de aangever worden vervangen door de naam van de persoon aan wie een invoercertificaat voor het ingevoerde goed is afgegeven en deze persoon wordt vertegenwoordigd door de persoon die in de douaneaangifte als aangever is aangemerkt en die aan het douanekantoor een machtiging van de titularis van het invoercertificaat heeft overgelegd?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Südzucker ea, C-608/10, C-10/11 en C-23/11; Overland Foorwear, C-468/03; Veloserviss, C-427/14; Tigers GmbH, C-156/16

Specifiek beleidsterrein: FIN-fisc; FIN

​​​​​​​