Gemeenschappelijk asielbeleid

Europees gemeenschappelijk asielbeleid

Sinds het Verdrag van Amsterdam (1999) streeft de EU naar een gemeenschappelijk asielbeleid, dat gebaseerd is op solidariteit tussen de lidstaten en dat billijk is ten aanzien van de onderdanen van derde landen (artikel 67, lid 2 EU-Werkingsverdrag). De harmonisatie van asielregels wordt gebaseerd op artikel 78 EU-Werkingsverdrag en uitgewerkt in verordeningen en richtlijnen.

De belangrijkste instrumenten in het gemeenschappelijk Europees asielstelsel worden hier beschreven.

  1. Dublinverordening
  2. Procedurerichtlijn
  3. Kwalificatierichtlijn
  4. Opvangrichtlijn
  5. Schengengrenscode
  6. Eurodacverordening
  7. Terugkeerrichtlijn

Jurisprudentie

Wanneer een in een lidstaat gevestigde burger van de Unie die gehuwd is met een onderdaan van een derde land die in deze lidstaat geen verblijfsrecht heeft, zich naar een andere lidstaat begeeft om aldaar arbeid in loondienst te verrichten, kan het feit dat zijn echtgenoot niet aan artikel 10 van verordening nr. 1612/18 het recht ontleent om zich met hem in die andere lidstaat te vestigen, niet worden aangemerkt als een minder gunstige behandeling dan die welke zij genoten voordat de burger van de Unie gebruik maakte van de mogelijkheden die het Verdrag hem op het gebied van het verkeer van persoon biedt. Het ontbreken van een dergelijk recht kan de burger van de Unie dan ook niet ontmoedigen om de hem bij artikel 39 EG toegekende rechten van vrij verkeer uit te oefenen.

Dit gaat ook op wanneer de burger van de Unie die gehuwd is met een onderdaan van een derde land, terugkeert naar de lidstaat waarvan hij onderdaan is om daar arbeid in loondienst te verrichten.

De overwegingen in dit arrest zijn door het EU-Hof herzien in de zaak C-127/08, Metock. Zie hieronder.

[...] dat het gemeenschapsrecht, gelet op het arrest Akrich, de lidstaten er niet toe verplicht voor de verlening van een verblijfsrecht aan een onderdaan van een derde land die familielid is van een gemeenschapsonderdaan die gebruik heeft gemaakt van zijn vrijheid van verkeer, als voorwaarde te stellen dat dit familielid voordien legaal in een andere lidstaat heeft verbleven.

Opdat sprake is van een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van degene die om subsidiare bescherming verzoekt in de zin van artikel 15, sub c, van de kwalificatierichtlijn, is het niet noodzakelijk dat deze persoon aantoont dat hij specifiek wordt geviseerd om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden.

Bij wijze van uitzondering kan een dergelijke bedreiging worden geacht aanwezig te zijn wanneer de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapende conflict, die wordt beoordeeld door de bevoegde nationale autoriteiten waarbij een verzoek om subsidaire bescherming is ingediend of door de rechters van een lidstaat bij wie beroep is ingesteld tegen de afwijzing van een dergelijk verzoek, dermate hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico op die bedreiging zou lopen.

Richtlijn 2004/38 moet dan ook aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing is op iedere persoon met de nationaliteit van een derde land die familielid is van een burger van de Unie, die de burger van de Unie begeleidt of zich bij hem voegt in een andere lidstaat dan die waarvan die burger de nationaliteit bezit, en hem rechten van binnenkomst en verblijf in die lidstaat verleent, zonder onderscheid te maken naargelang deze persoon met de nationaliteit van een derde land al dan niet eerder legaal in een andere lidstaat heeft verbleven.

Aangezien gezinshereniging de algemene regel is, dient de bevoegdheid in artikel 7, lid 1, aanhef en sub c van richtlijn 2003/86 strikt te worden uitgelegd. Bovendien mogen de lidstaten hun handelingsvrijheid niet zo gebruiken dat afbreuk wordt gedaan aan het doel van de richtlijn, namelijk de bevordering van gezinshereniging, en aan het nuttig effect daarvan.

Het Unierecht staat in de weg aan de toepassing van een onweerlegbaar vermoeden dat de op basis van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 343/2003 verantwoordelijke lidstaat de grondrechten van de Europese Unie eerbiedigt.

Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten, daaronder begrepen de nationale rechterlijke instanties, een asielzoeker niet aan de "verantwoordelijke lidstaat" in de zin van verordening nr. 343/2003 mogen overdragen wanneer zij niet onkundig kunnen zijn van het feit dat de fundamentele tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in deze lidstaat ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een reeel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van deze bepaling.

Onder voorbehoud van de door artikel 3, lid 2, van verordening nr. 343/2003 geboden mogelijkheid om het verzoek zelf te behandelen moet, wanneer een asielzoeker niet kan worden overgedragen aan een andere lidstaat van de Europese Unie en wanneer blijkt dat deze staat op basis van de criteria van hoofdstuk III van deze verordening de verantwoordelijke lidstaat is, de lidstaat die de asielzoeker diende over te dragen het onderzoek van dit hoofdstuk voortzetten, teneinde na te gaan of aan de hand van een van de verdere criteria kan worden vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.

Van belang is echter dat de lidstaat waar de asielzoeker zich bevindt, erop toeziet dat hij een situatie waarin de grondrechten van de asielzoeker zijn geschonden, niet erger maakt door de procedure om de verantwoordelijke lidstaat te bepalen, onredelijk lang te laten duren. Zo nodig dient hij het verzoek zelf te behandelen overeenkomstig artikel 3, lid 2, van verordening nr. 343/2003.

Niet elke aantasting van het recht op godsdienstvrijheid die artikel 10, lid 1, van het Handvest schendt is een "daad van vervolging"in de zin van artikel 9, lid 1, sub a, van richtlijn 2004/83.

Een daad van vervolging kan het resultaat zijn van een aantasting van de uiterlijke beleving van die vrijheid. Bij de beoordeling of een aantasting van het recht op godsdienstvrijheid die artikel 10, lid 1, van het Handvest schendt een "daad van vervolging"vormt, de bevoegde autoriteiten, gelet op de persoonlijke situatie van de betrokkene, moeten onderzoeken of deze op grond van de uitoefening van die vrijheid in zijn land van herkomst een werkelijk gevaar loopt om met name te worden vervolgd of te worden onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen die afkomstig zijn van een van de in artikel 6 van de richtlijn bedoelde actoren.

Devrees voor vervolging van de verzoeker is gegrond zodra de bevoegde autoriteiten, gelet op diens persoonlijke situatie, van oordeel zijn dat in redelijkheid kan worden aangenomen dat hij bij terugkeer in zijn land van herkomst godsdienstige handelingen zal verrichten die hem blootstellen aan een werkelijk gevaar van vervolging. Bij de individuele beoordeling van een verzoek strekkende tot het verkrijgen van de vluchtelingenstatus mogen die autoriteiten van de asielzoeker redelijkerwijs niet verwachten dat hij van deze godsdienstige handelingen afziet.

De in artikel 4, lid 1, tweede volzin, van richtlijn 2004/83 neergelegde plicht tot samenwerking van de betrokken lidstaat met de asielzoeker kan niet aldus worden uitgelegd dat, indien een vreemdeling om de subsidiairebeschermingsstatus verzoekt na een weigering om hem de vluchtelingenstatus te verlenen en indien de betrokken nationale autoriteit voornemens is ook dit tweede verzoek af te wijzen, die autoriteit om die reden, alvorens een beslissing te nemen, betrokkene dient mee te delen dat zij voornemens is zijn verzoek af te wijzen en op welke gronden, zodat die verzoeker de mogelijkheid heeft zijn standpunt dienaangaande kenbaar te maken.

De rechter dient er zorg voor te dragen dat zowel in het kader van het verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus als het verzoek om de subsidiaire beschermingsstatus de grondrechten van de verzoeker worden geerbiedigd en meer bepaald zijn recht om te worden gehoord, dat wil zeggen dat hij in staat moet worden gesteld naar behoren zijn opmerkingen kenbaar te maken alvorens een beslissing wordt genomen waarbij de verlangde bescherming wordt geweigerd. In een dergelijk stelsel houdt de omstandigheid dat de betrokkene reeds naar behoren is gehoord in het kader van de behandeling van zijn verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus, niet in dat dit vormvoorschrift niet meer behoeft te worden nageleefd in het kader van de procedure inzake het verzoek om subsidiaire bescherming.

Het ophouden van de bescherming of bijstand van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties of de Hoge Commissaris voor Vluchtelingen in de zin van artikel 12, lid 1, sub a, tweede volzin, van richtlijn 2004/83, omvat eveneens de situatie van een persoon die, na daadwerkelijk die bescherming of bijstand te hebben ingeroepen, deze niet langer geniet om een reden buiten zijn invloed en onafhankelijk van zijn wil. De bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van die persoon, moeten op basis van een individuele beoordeling van het verzoek nagaan of die persoon gedwongen werd het gebied te verlaten waarin dat orgaan of die instelling werkzaam is. Dit is het geval wanneer hij zich persoonlijk in een situatie van ernstige onveiligheid bevond en het voor het betrokken orgaan of de betrokken instelling onmogelijk was hem in dat gebied levensomstandigheden te bieden die stroken met de opdracht waarmee dat orgaan of die instelling is belast.

Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek hebben vastgesteld dat is voldaan aan de voorwaarde inzake het ophouden van de bescherming of de bijstand van het betrokken orgaan of de instelling, de verzoeker het recht heeft op de voorzieningen uit hoofde van de richtlijn. De verzoeker moet erkend worden als vluchteling, voor zover hij evenwel niet binnen de werkingssfeer van de leden 1, sub b, of 2 en 3 van bedoeld artikel 12 valt.

Een lidstaat die volgens de criteria van hoofdstuk III van verordening nr. 343/2003 niet verantwoordelijk is, kan op grond van artikel 3, lid 2, van diezelfde verordening een asielverzoek behandelen, ook al zijn er geen omstandigheden die de toepassing van de humanitaire clausule van artikel 15 van de verordening rechtvaardigen. Hiervoor is niet vereist dat de krachtens deze criteria verantwoordelijke lidstaat niet heeft geantwoord op een verzoek tot terugname van de betrokken asielzoeker.

In de procedure om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor het asielverzoek, hoeft de lidstaat waarin de asielzoeker zich bevindt niet de UNHCR te verzoeken zijn zienswijze te geven wanneer uit documenten van deze instantie blijkt dat de volgens de criteria van hoofdstuk III van de verordening verantwoordelijke lidstaat de Unierechtelijke asielvoorschriften schendt.

Het bestaan van strafrechtelijke bepalingen die specifiek tegen homoseksuelen zijn gericht, rechtvaardigt de vaststelling dat homoseksuelen moeten worden geacht een specifieke sociale groep te vormen in de zin van artikel 10, lid 1, sub d, van richtlijn 2004/83.

De enkele strafbaarstelling van homoseksuele handelingen als zodanig vormt geen daad van vervolging. Daarentegen moet een gevangenisstraf voor homoseksuele handelingen die daadwerkelijk wordt toegepast in het land van herkomst dat deze strafbepaling heeft vastgesteld, worden geacht een onevenredige of discriminerende bestraffing te zijn in de zin van artikel 9, lid 2, sub c, van richtlijn 2004/83.

Enkel homoseksuele handelingen die volgens het nationale recht van de lidstaten strafbaar zijn, zijn uitgesloten van de werkingssfeer van artikel 10, lid 1, sub d, van de richtlijn (gronden voor vervolging). Bij de beoordeling van een verzoek om erkenning als vluchteling kunnen de bevoegde autoriteiten redelijkerwijs niet verwachten dat de asielzoeker, ter vermijding van het risico van vervolging, in zijn land van herkomst zijn homoseksualiteit geheim houdt of zich bij de invulling van die seksuele gerichtheid terughoudend opstelt.

Een nationale procedureregel die de behandeling van een verzoek om subsidiaire bescherming afhankelijk stelt van de voorafgaande verwijzing van een verzoek om erkenning als vluchteling is niet onverenigbaar met richtlijn 2004/83, mits het verzoek om erkenning als vluchteling en het verzoek om subsidiaire bescherming tegelijkertijd kunnen worden ingediend en de nationale procedureregel niet ertoe leidt dat het verzoek om subsidiaire bescherming na het verstrijken van een redelijke termijn wordt behandeld.

Artikel 4 van richtlijn 2004/83 verzet zich ertegen dat in het kader van het onderzoek door de bevoegde nationale autoriteiten, handelend onder toezicht van de rechter, van de feiten en omstandigheden betreffende de gestelde seksuele gerichtheid van een asielzoeker wiens verzoek is gebaseerd op vrees voor vervolging wegens die gerichtheid, de verklaringen en het bewijsmateriaal tot staving van diens verzoek voor die autoriteiten worden beoordeeld middels ondervragingen louter op basis van stereotype opvattingen over homoseksuelen.

De bevoegde nationale autoriteiten dienen zich eveneens te onthouden van het gedetailleerd ondervragen van de asielzoeker over de wijze waarop hij praktisch invulling geeft aan zijn seksuele gerichtheid. Eveneens verzet artikel 4 van richtlijn 2004/83 zich ertegen dat de bevoegde autoriteiten in het kader van het onderzoek bewijsmateriaal aanvaarden als het demonstratief verrichten van homoseksuele handelingen door de betrokken asielzoeker, het ondergaan van "tests" om zijn homoseksualiteit te bewijzen of het overleggen van video-opnamen van dergelijke handelingen.

De bevoegde autoriteiten mogen niet tot de slotsom komen dat de verklaringen van de betrokken asielzoeker niet geloofwaardig zijn louter omdat deze zijn gestelde seksuele gerichtheid niet had aangevoerd bij de eerste gelegenheid die hem werd geboden om de vervolgingsgronden toe te lichten.

  • H.T. tegen Land Baden-Württemberg (C-373/13):

Steun aan een terroristische vereniging die is geplaatst op de lijst in de bijlage bij het gemeenschappelijk standpunt betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme, kan een van de "dwingende redenen van nationale veiligheid of openbare orde" in de zin van artikel 24, lid 1, van richtlijn 2004/83 vormen, ook al zijn de voorwaarden van artikel 21, lid 2, van die richtlijn niet vervuld.

Om een aan een vluchteling verleende verblijfstitel te kunnen intrekken op grond dat deze vluchteling een dergelijke terroristische vereniging steunt, dienen de bevoegde autoriteiten niettemin, onder toezicht van de nationale rechter, een individuele beoordeling te maken van de specifieke feiten betreffende de daden zowel van de betrokken vereniging als van de betrokken vluchteling.

Wanneer een lidstaat besluit een vluchteling wiens verblijfstitel is ingetrokken, te verwijderen, maar de uitvoering van dat besluit opschort, is het onverenigbaar met richtlijn 2004/83 om hem de toegang tot de in hoofdstuk VII ervan gewaarborgde voordelen te ontzeggen, tenzij een in deze richtlijn uitdrukkelijk geformuleerde uitzondering van toepassing is.