Energiesolidariteit

Het beginsel van energiesolidariteit is vastgelegd in artikel 194, lid 1, van het EU-Werkingsverdrag:

In het kader van de totstandbrenging en de werking van de interne markt en rekening houdend met de noodzaak om het milieu in stand te houden en te verbeteren, is het beleid van de Unie op het gebied van energie, in een geest van solidariteit tussen de lidstaten, erop gericht:

a. de werking van de energiemarkt te waarborgen;

b. de continuïteit van de energievoorziening in de Unie te waarborgen;

c. energie-efficiëntie, energiebesparing en de ontwikkeling van nieuwe en duurzame energie te stimuleren; en

d. de interconnectie van energienetwerken te bevorderen”

Energiesolidariteit is niet alleen een politiek begrip, maar ook juridisch afdwingbaar en kan worden gebruikt als grond voor rechterlijke toetsing. Dat volgt uit het arrest van het Gerecht van 10 september 2019 Polen tegen Europese Commissie ( T-883/16 ).

In deze uitspraak heeft het Gerecht een Commissiebesluit ter goedkeuring van twee Duitse ontheffingsbesluiten ten aanzien van enkele bepalingen van de gasrichtlijn nietig verklaard omdat deze was genomen in strijd met het beginsel van energiesolidariteit.

Het Gerecht overweegt dat het beginsel van energiesolidariteit zo moet worden uitgelegd dat het niet uitsluitend ziet op solidariteit in het geval van noodsituaties. Het beginsel vereist ook dat de lidstaten geen maatregelen nemen die de belangen van de Unie of de lidstaten raken inzake hun energievoorziening. Deze verplichting gaat niet zo ver dat EU-beleid nooit een negatieve impact mag hebben op de belangen van een lidstaat maar het vereist wel dat wanneer dat het geval is de EU-instellingen en de lidstaten een belangenafweging maken.

Het volledige ECER nieuwsbericht over deze uitspraak is hier te lezen.