EU-mechanisme voor civiele bescherming

Het EU-mechanisme voor civiele bescherming is erop gericht de samenwerking tussen de Europese Unie en de EU-lidstaten op het vlak van civiele bescherming te versterken en de coördinatie te vergemakkelijken. Het mechanisme tracht de solidariteit in de Europese Unie te bevorderen en ondersteunt acties van de lidstaten op het terrein van civiele bescherming. Het uiteindelijke doel van het mechanisme is om de systemen op het gebied van preventie, de paraatheid en de respons ten aanzien van door de mens of de natuur veroorzaakte rampen doeltreffender te maken.

Op deze pagina:

Oprichting en doelstellingen

Het EU-mechanisme voor civiele bescherming is opgericht bij Besluit 1212/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 ( geconsolideerde versie ). Het mechanisme biedt ondersteuning en aanvulling ter verwezenlijking van de volgende specifieke doelstellingen:

  1. Het bereiken van een hoog niveau van bescherming tegen rampen door de potentiële gevolgen ervan te voorkomen of te verminderen, door een preventiecultuur te bevorderen en door de samenwerking tussen de civielebeschermings- en andere bevoegde diensten te verbeteren;
  2. Het vergroten van de paraatheid op het niveau van de lidstaten en van de Unie om te kunnen reageren op rampen;
  3. Het bevorderen van een snelle en efficiënte respons bij rampen of bij dreigende rampen;
  4. Vergroten van het bewustzijn en de paraatheid van het publiek met betrekking tot rampen;
  5. Het vergroten van de beschikbaarheid en het gebruik van wetenschappelijke kennis over rampen;
  6. Het opvoeren van de samenwerkings- en coördinatieactiviteiten op grensoverschrijdend niveau en tussen de lidstaten die blootstaan aan dezelfde soort rampen.

In het kader van het beschermingsmechanisme wordt verstaan onder een ramp: elke situatie die ernstige gevolgen voor mensen, het milieu, of eigendommen, waaronder cultureel erfgoed, heeft of kan hebben.

Deelname

Deelname aan het EU-mechanisme voor civiele bescherming staat niet alleen open voor EU-lidstaten, maar ook voor de lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER), toetredende landen, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten. In totaal nemen 34 landen deel aan het beschermingsmechanisme (27 EU-lidstaten plus IJsland, Noorwegen, Servië, Montenegro, de Republiek Noord-Macedonië en Turkije, alsmede het Verenigd Koninkrijk tot eind 2020 tijdens de Brexit-overgangsperiode).

Risicobeheersing

Een belangrijk onderdeel van het EU-mechanisme voor civiele bescherming is risicobeheersing. Op grond van Besluit (EU) 2019/420 moeten EU-lidstaten:

  • Doorgaan met het opstellen, ontwikkelen en verfijnen van risicobeoordelingen op nationaal of passend subnationaal niveau;
  • Elke drie jaar een samenvatting van de relevante onderdelen van die beoordelingen aan de Commissie ter beschikking stellen;
  • Op vrijwillige basis deelnemen aan collegiale toetsingen van de beoordeling van het risicobeheersingsvermogen.

Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties

Het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties (Emergency Respons Coordination Centre – ERCC) is het hart van het EU-mechanisme voor civiele bescherming en coördineert de levering van hulp aan landen die zijn getroffen door rampen zoals hulpgoederen, kennis, civiele beschermingsteams en gespecialiseerde apparatuur. Het centrum zorgt voor een snelle inzet van noodhulp en fungeert als een coördinatiehub tussen alle EU-lidstaten en de andere deelnemende landen, het getroffen land en de deskundigen op het gebied van civiele bescherming en humanitaire hulp. Het centrum is 24 uur per dag en 7 dagen per week operationeel en kan elk land binnen of buiten de EU dat door een grote ramp is getroffen, helpen op verzoek van de nationale autoriteiten of een VN-orgaan. Het Coördinatiecentrum wordt geleid door de Europese Commissie.

rescEU

Bij Besluit (EU) 2019/420 is “rescEU” opgezet. rescEU fungeert als een aanvullende pool van capaciteit om bijstand te verlenen in overweldigende situaties waarbij de algehele bestaande capaciteit op nationaal niveau en de door de lidstaten aan de Europese pool voor civiele bescherming vooraf toegezegde capaciteit in de gegeven omstandigheden niet volstaan om doeltreffend genoeg te reageren op rampen.

Door middel van uitvoeringshandeling Besluit (EU) 2019/1310 definieert de Europese Commissie de capaciteit van rescEU. Daarbij houdt zij rekening met vastgestelde en nieuwe risico’s en de algehele capaciteit en tekorten op Unieniveau, met name op het gebied van de bestrijding van bosbranden vanuit de lucht, chemische, biologische, radiologische en nucleaire incidenten, en medische noodrespons.

Covid-19 pandemie

Op 19 maart 2020 besloot de Europese Commissie om een strategische rescEU-voorraad aan te leggen om EU-lidstaten te helpen bij de bestrijding van de covid-19 pandemie. Deze voorraad bestond onder meer uit beademingsapparatuur en beschermingsmaskers. Deze voorraad is mede ingezet om Spanje, Italië en Kroatië te voorzien van partijen FFP2-beschermingsmaskers. Daarnaast hebben de lidstaten elkaar op bilateraal niveau steun aangeboden in de vorm van medische EU-teams, maskers en ontsmettingsmiddelen die via het EU-mechanisme voor civiele bescherming zijn gemobiliseerd. 

Civiele bescherming in de Raad

In de Raad buigt de Groep civiele bescherming (Provic) zich over vraagstukken die verband houden met civiele bescherming. Zij houden zich bijvoorbeeld bezig met wetgevingsvoorstellen van de Commissie, Raadsconclusies over specifieke onderwerpen en bijdragen aan onderhandelingen in internationale fora. Provic wordt voorgezeten door het roulerend voorzitterschap van de Raad dat ook een werkprogramma opstelt.

Praktijk

Elk land, maar ook de Verenigde Naties of andere internationale organisaties, kan een beroep doen op het EU-mechanisme voor civiele bescherming. Sinds de oprichting is het beschermingsmechanisme al honderden keren ingezet. Recente voorbeelden zijn de nasleep van de tropische cycloon Idai in Mozambique (2019), de aardbeving in Albanië (2019), de bosbranden in Zweden (2018), Bolivia (2019) en Griekenland (2019) en de noodsituatie als gevolg van het nieuwe coronavirus (2020).

In het kort ziet de procedure van het EU Civiele beschermingsmechanisme er als volgt uit:

  1. Een ramp heeft plaatsgevonden binnen of buiten de EU;
  2. De getroffen landen verzoeken steun via het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties;
  3. Het EU-mechanisme voor civiele bescherming wordt geactiveerd;
  4. Lidstaten en andere deelnemende landen bieden steun aan zoals apparatuur en expertise;
  5. Het Coördinatiecentrum coördineert de levering van de steun;
  6. Het Coördinatiecentrum kan ook een team van civiele beschermingsexperts inzetten;
  7. Steun wordt geleverd en expertteams keren terug naar huis;
  8. Einde van de respons.

In april 2020 hebben Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint-Eustatius en Sint-Maarten via het beschermingsmechanisme een verzoek tot hulp ingediend. Daaropvolgend coördineert de EU de levering van hulp aan de zes Caribische eilanden. Nederland heeft medische apparatuur, tests, persoonlijke beschermingsmiddelen, beademingsapparaten en medicijnen aangeboden. Alle artikelen zijn geaccepteerd en per lucht- en zeetransport via het beschermingsmechanisme geleverd aan de eilanden.

Zie ook