Humanitaire noodhulp binnen de EU

De EU-noodhulpverordening heeft tot doel om bij rampen wederzijdse bijstand en steun te verlenen aan lidstaten. Dat is een uitdrukking van het beginsel van solidariteit. Het instrument komt in beeld wanneer blijkt dat andere EU-instrumenten ontoereikend zijn. In dit dossier worden de belangrijkste punten van de EU-noodhulpverordening besproken, en de activatie ervan in het licht van de Covid-19 uitbraak.

Op deze pagina:

Wettelijk kader

Verordening (EU) 2016/369 van de Raad van 15 maart 2016 betreffende de verstrekking van noodhulp binnen de Unie (EU-noodhulpverordening) stelt het wettelijk kader vast waarbinnen noodhulp van de Unie kan worden toegekend bij een door de mens of natuur veroorzaakte ramp die zich voordoet of kan voordoen. Het instrument vindt zijn oorsprong in artikel 122, lid 1, EU-Werkingsverdrag . De EU-noodhulpverordening kan enkel worden geactiveerd wanneer de omvang en de gevolgen van een ramp zodanig groot zijn dat er ernstige en verstrekkende humanitaire gevolgen zijn in een of meer lidstaten, en alleen wanneer geen ander voor de lidstaten of de Unie beschikbaar instrument toereikend is.

Het besluit om over te gaan tot activering wordt genomen door de Raad, op voorstel van de Commissie. De Raad bespreekt het voorstel van de Commissie zo snel mogelijk en bepaalt – naar gelang de urgentie van de situatie – of de noodhulp verstrekt moet worden.

De te verstrekken noodhulp wordt toegesneden op de behoefte van de lidstaten. Deze moet de reactie van de lidstaten aanvullen en is gericht op het redden van levens, het voorkomen en verlichten van menselijk leed en het behoud van de menselijke waardigheid. De humanitaire noodhulp wordt toegekend en verleend overeenkomstig de fundamentele humanitaire beginselen van menselijkheid, neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid.

De Commissie verleent de financiële steun van de Unie overeenkomstig verordening (EU, Euratom) 2018/1046 . Die verordening regelt de vaststelling van de financiële regels die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Unie. De humanitaire noodhulp wordt gefinancierd met middelen uit de algemene begroting en met bijdragen van de lidstaten en van andere openbare of particuliere donoren. De financiering door de Unie wordt met name uitgevoerd door middel van direct of indirect beheer overeenkomstig punt a) en punt c) van artikel 62, lid 1, van voornoemde verordening.

Meer in het bijzonder wordt de humanitaire noodhulp in het kader van de EU-noodhulpverordening verleend in een van de volgende drie vormen:

  • Een gezamenlijke aanbesteding met de lidstaten als bedoeld in artikel 165, lid 2, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046, waarbij de lidstaten de gezamenlijk verworven capaciteit volledig kunnen aankopen, huren of leasen;
  • Een aanbesteding door de Commissie namens de lidstaten op basis van een overeenkomst tussen de Commissie en de lidstaten;
  • Een aanbesteding door de Commissie, als groothandelaar, waarbij benodigdheden en diensten worden aangekocht, opgeslagen, en doorverkocht of gedoneerd, met inbegrip van verhuur, aan de lidstaten of aan door de Commissie geselecteerde partnerorganisaties.

Acties die uit hoofde van deze verordening financiële steun van de Commissie genieten, worden aan een geregeld toezicht onderworpen. Uiterlijk twaalf maanden na de activering van de noodhulp voor een specifieke situatie, dient de Commissie een verslag in bij de Raad, alsmede, wanneer passend, voorstellen om de noodhulp te beëindigen.

Covid-19

Op 14 april 2020 is verordening (EU) 2020/521 van de Raad vastgesteld. Deze verordening activeert de EU-noodhulpverordening voor de periode van 1 februari 2020 tot en met 31 januari 2022. Reden hiervoor is de grootschalige en grensoverschrijdende aard en gevolgen van de Covid-19-uitbraak. De maatregelen in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming (“rescEU”) en andere bestaande instrumenten van de Unie hebben een beperkte reikwijdte en maken het derhalve niet mogelijk afdoende te reageren en de grootschalige gevolgen van de Covid-19-crisis in de Unie doeltreffend aan te pakken.

Bij verordening 2020/521 is ook een overzichtelijke lijst in de vorm van een bijlage toegevoegd met mogelijke acties die door het instrument kunnen worden gefinancierd ‘in het geval van pandemieën met grootschalige gevolgen’. De lijst is niet uitputtend:

  • Tijdelijke versterking van het medisch personeel, uitwisseling van medisch personeel, opvang van buitenlandse patiënten of andere soorten wederzijdse steun;
  • Het inzetten van tijdelijke gezondheidszorgfaciliteiten en tijdelijke uitbreiding van bestaande gezondheidszorgfaciliteiten om de druk op de bestaande structuren te verlichten en de totale capaciteit van de gezondheidszorg te vergroten;
  • Activiteiten ter ondersteuning van het beheer van de grootschalige toepassing van medische tests en ter voorbereiding van de nodige wetenschappelijke teststrategieën en -protocollen;
  • Het opzetten van tijdelijke quarantainefaciliteiten en andere passende maatregelen aan de grenzen van de Unie;
  • De ontwikkeling, productie of aankoop en distributie van medische producten;
  • Vergroting en omschakeling van productiecapaciteiten voor de in punt e) bedoelde medische producten om leveringstekorten aan te pakken;
  • Het aanhouden van de voorraad van de in punt e) bedoelde medische producten, en het verwijderen ervan;
  • Acties ter ondersteuning van de noodzakelijke stappen voor het verkrijgen van goedkeuring voor het gebruik van de in punt e) bedoelde medische producten, indien nodig;
  • Acties om passende methoden te ontwikkelen voor het volgen van de ontwikkeling van de pandemie en de resultaten van de maatregelen ter bestrijding ervan;
  • Organisatie van klinische proeven ad hoc van mogelijke therapieën of diagnostische methoden volgens op Unieniveau overeengekomen proefnormen;
  • Wetenschappelijke validering van medische producten, waaronder potentiële nieuwe testmethoden.

Zie ook

ECER-dossier: Solidariteit en het Europees economisch en monetair beleid