Procedure

4. Procedure

De handhaving van art 107, lid 1, EU-Werkingsverdrag is geregeld in de artikelen 108 en 109 EU-Werkingsverdrag en verordening (EU) 2015/1589 ('procedure-verordening'). Op basis van art. 108, lid 3, EU-Werkingsverdrag moeten de lidstaten elk voornemen tot steunverlening melden aan de Commissie. Totdat de Commissie zich heeft uitgesproken, mag de steun niet worden verleend (zgn. stand still periode). Deze periode eindigt pas na een positieve beschikking van de Commissie. Wordt de steun zonder voorafgaande goedkeuring van de Commissie toch verleend, dan is deze steun onrechtmatig en derhalve verboden. Voor de nationale rechter kan dan, bijvoorbeeld door benadeelde concurrenten, een verbod van deze steun worden gevorderd, alsmede een schadevergoeding. Tevens kan de Commissie stopzetting van de steun eisen. De steunverlenende overheid zelf kan uit eigen beweging de bewuste maatregel intrekken of daaraan geen verdere uitvoering geven (zaak Harlingen).

Het onderzoek door de Commissie kent twee fasen. De eerste fase gaat in na aanmelding en is het zogenaamde vooronderzoek. Als de Commissie op basis van dit vooronderzoek tot de conclusie komt dat de steun zonder meer verenigbaar is (bijvoorbeeld in het geval van artikel 107, lid 2, EU-Werkingsverdrag), wordt de steun goedgekeurd. Wanneer de Commissie concludeert dat de voorgenomen regeling niet voldoet aan de definitie van artikel 107, lid 1, EU-Werkingsverdrag, is er geen sprake van steun en kunnen de maatregelen ten uitvoer worden gelegd. De Commissie kan ook concluderen dat er sterke aanwijzingen zijn om aan te nemen dat de steun niet geoorloofd is. In dat geval wordt het vooronderzoek afgesloten en opent de Commissie de formele onderzoeksprocedure van art. 108, lid 2: de tweede fase. De Commissie kan aan een lidstaat vragen (en in sommige gevallen zelfs eisen) extra informatie te verschaffen. Gedurende de formele onderzoeksperiode blijft de stand still bepaling van kracht. Uiteindelijk zal de Commissie bij beschikking vaststellen of de voorgenomen steunregeling verenigbaar is met het verdrag.

Tegen de beschikkingen van de Commissie staat de mogelijkheid tot beroep open via artikel 263 EU-Werkingsverdrag.

In afwijking van artikel 258 EU-Werkingsverdrag kan de Commissie versneld optreden tegen lidstaten die zich niet houden aan de steunregels of die niet overgaan tot terugvordering van de steun door rechtsreeks beroep in te stellen bij het EU-Hof (artikel 108, lid 2, tweede alinea EU-Werkingsverdrag). Ook tegen een beschikking van de Commissie waarin zij besluit dat staatssteun verenigbaar is, kan worden opgekomen, mits betrokkenen rechtstreeks en individueel geraakt wordt in de zin van artikel 263 VWEU. Dit is het geval als hij tot een gesloten kring van marktdeelnemers behoort (arrest Woonpunt, C-132/12 P).

Uitzondering: de Raad besluit

Gedurende de procedure kan de Raad op basis van artikel 108, lid 2, derde alinea, van het EU-Werkingsverdrag een eigen besluit vaststellen waardoor de Commissie niet langer bevoegd is een besluit vast te stellen.

1. De procedure van artikel 108, lid 2, derde en vierde alinea, VWEU ziet op een uitzonderlijk en bijzonder geval, zodat de bevoegdheid die bij deze bepaling aan de Raad is toegekend, overduidelijk een uitzondering is. Voor “normale gevallen” blijft de Commissie exclusief bevoegd.
2. Een lidstaat kan ervoor kiezen een steunregeling niet bij de Commissie aan te melden, maar bij de Raad. Hij kan ook na de aanmelding bij de Commissie alsnog aanmelden bij de Raad. Hij kan niet, na een definitieve beslissing van de Commissie, de steunregeling alsnog aanmelden bij de Raad.
3. Een lopend onderzoek bij de Commissie wordt geschorst.
4. De Raad moet binnen drie maanden beslissen. Als de Raad niet heeft kunnen besluiten, is de Commissie weer exclusief bevoegd.
5. De Raad mag niet meer besluiten als de Commissie eerder al een besluit heeft genomen over dezelfde steunregeling. Dat geldt ook voor een compensatieregeling voor terugbetalingen door de begunstigden van een eerdere verboden steunregeling, die immers onlosmakelijk is verbonden met de eerdere steunregeling.
6. Tussentijds door de Commissie vastgestelde richtsnoeren vormen niet automatisch een standpunt ten aanzien van de steunregeling in concreto.
7. Een steunregeling waarvoor eerder slechts tijdelijk door de Commissie goedkeuring is gegeven kan door de Raad worden verlengd, tenzij de verlenging onlosmakelijk is verbonden met de oorpronkelijke steunregeling. 
8. Een onlosmakelijk verband met de eerdere steunregeling kan niet worden aangenomen wanneer sprake is van nieuwe omstandigheden en een aanzienlijk tijdsverloop sinds het eerdere besluit van de Commissie. Er is dan sprake van een nieuwe steunregeling, waarover de Raad mag besluiten.

Lees meer over de toepassing van deze uitzondering in dit ECER bericht.