De waarden van de EU

Afbeeldingbanner - De waarden van de EU

© Rijksoverheid

De waarden van de EU

Op deze pagina:

Inleiding

De waarden van de EU, zoals neergelegd in artikel 2 van het EU-Verdrag, bepalen de identiteit van de EU als een gemeenschappelijke rechtsorde. De eerbiediging van deze waarden vormt een voorwaarde voor de toetreding tot de EU van elke Europese staat die lid wenst te worden van de EU (artikel 49 EU-Verdrag). Ook na toetreding moeten de lidstaten die waarden blijven eerbiedigen (C-790/19, punten 50-51). 

Wanneer een lidstaat de in artikel 2 EU-Verdrag neergelegde waarden niet eerbiedigt, kan op grond van artikel 7 EU-Verdrag een procedure tegen die lidstaat worden ingesteld. Die procedure kan slechts onder strikte voorwaarden worden toegepast en kan uiteindelijk leiden tot een schorsing van bepaalde rechten die de lidstaat op grond van de EU-Verdragen geniet (zie ook het ECER-dossier over de artikel 7-procedure). Het kan bijvoorbeeld gaan om een schorsing van de stemrechten van die lidstaat in de Raad.

In artikel 2 van het EU-Verdrag zijn zes waarden van de EU opgenomen. Het gaat om de eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren (zie de paragraaf over de waarden van de EU hieronder). 

De lidstaten hebben die waarden gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van mannen en vrouwen. Die elementen worden hieronder samen aangeduid als 'samenlevingskenmerken' (zie de paragraaf over de samenlevingskenmerken). 

Naar boven

De waarden van de EU

Hieronder worden de zes waarden van de Europese Unie behandeld. 

De eerbied voor de menselijke waardigheid neemt een bijzondere plek in binnen het systeem van de grondrechtenbescherming. De menselijke waardigheid is namelijk niet alleen een grondrecht op zich, maar vormt ook de grondslag van alle andere grondrechten. Geen van de in het EU-Handvest van de grondrechten neergelegde grondrechten mag worden gebruikt om de waardigheid van anderen te schenden. De menselijke waardigheid behoort tot het wezen van de in het EU-Handvest neergelegde grondrechten en er kan daarom geen afbreuk worden gedaan aan de eerbiediging van de menselijke waardigheid (toelichting bij artikel 1 van het EU-Handvest). 

In titel I van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is onder het opschrift 'Waardigheid' een aantal grondrechten opgenomen. Een ieder heeft bijvoorbeeld recht op leven. Niemand mag tot de doodstraf worden veroordeeld of terecht worden gesteld. Daarnaast heeft een ieder recht op lichamelijke en geestelijke integriteit. Dit houdt onder meer in dat een individu uit vrije wil en geïnformeerd zijn toestemming moet geven voor geneeskundige behandelingen. Ook mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Verder mag niemand in slavernij of dienstbaarheid worden gehouden of worden gedwongen om dwangarbeid of verplichte arbeid te verrichten. Tevens is mensenhandel verboden. 

Naar boven

Vrijheid vormt één van de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa en in de preambule van het EU-Verdrag bevestigen de lidstaten hun gehechtheid aan het vrijheidsbeginsel. De eerbied voor de vrijheid komt onder meer tot uitdrukking in een aantal grondrechten die zijn neergelegd in het EU-Handvest van de grondrechten. Daarnaast speelt vrijheid een rol bij de vrijverkeersbepalingen en de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Hieronder wordt op die onderwerpen ingegaan. 

Handvest van de grondrechten

In titel II van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is onder het opschrift 'Vrijheid' een aantal grondrechten opgenomen. Het gaat onder meer om grondrechten als de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vergadering en vereniging en de vrijheid van kunsten en wetenschappen. 

De status van kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen (godsdienstvrijheid)

De EU moet de status die kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen volgens het nationale recht in de lidstaten hebben eerbiedigen. De EU mag geen afbreuk doen aan die status. Daarnaast moet de EU de status die levensbeschouwelijke en niet-confessionele organisaties volgens het nationale recht hebben eerbiedigen. De EU moet ook een open, transparante en regelmatige dialoog voeren met die kerken en organisaties (artikel 17 EU-Werkingsverdrag). 

Vrij verkeer en verblijf

Ook het recht van EU-burgers om vrij naar een andere lidstaat te kunnen reizen en aldaar te verblijven (artikel 21 EU-Werkingsverdrag) vormt een concrete uitwerking van de vrijheidswaarde. Onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die zijn vastgesteld in de EU-Verdragen en overige EU-wetgeving (met name richtlijn 2004/38) kunnen EU-burgers het recht van vrij verkeer en verblijf uitoefenen. Het recht op vrij verkeer en verblijf is ook vastgelegd in artikel 45 van het EU-Handvest van de grondrechten

Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht (RVVR)

Daarnaast speelt de vrijheidswaarde een belangrijke rol in het kader van de EU-doelstelling om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te creëren. Die Europese ruimte wordt namelijk gekenmerkt door de afwezigheid van binnengrenzen tussen de lidstaten die deelnemen aan het Schengengebied (zie in die zin artikel 67, lid 2 en artikel 77, lid 1, onder a van het EU-Werkingsverdrag). Doordat de Schengenlidstaten de controles aan de binnengrenzen hebben afgeschaft kunnen burgers zich vrij van de ene naar de andere lidstaat verplaatsen.

Naar boven

In de preambule van het EU-Verdrag bevestigen de lidstaten hun gehechtheid aan het democratiebeginsel. In de EU-Verdragen wordt op verschillende wijzen invulling gegeven aan de democratische legitimiteit van de EU:

Representatieve democratie

In de eerste plaats is de Europese Unie een representatieve democratie. Dit houdt onder meer in dat EU-burgers op het niveau van de EU rechtstreeks worden vertegenwoordigd ("gerepresenteerd") door de leden van het Europees Parlement (artikel 10, leden 1 en 2, EU-Verdrag). EU-burgers mogen eens in de vijf jaar stemmen tijdens de verkiezingen voor het Europees Parlement (actief kiesrecht) en kunnen zich verkiesbaar stellen om gekozen te worden als lid van het Europees Parlement (passief kiesrecht) (artikel 22, lid 2, EU-Werkingsverdrag en artikel 39 EU-Handvest van de grondrechten). Het actief en passief kiesrecht is één van de belangrijkste manieren voor EU-burgers om deel te nemen aan het democratisch bestel van de EU.

Klacht- en petitierecht 

EU-burgers hebben het recht om zich met klachten over EU-instellingen en organen te wenden tot de Europese Ombudsman, die door het Europees Parlement wordt benoemd (artikel 24, derde alinea, EU-Werkingsverdrag en artikel 43 EU-Handvest van de grondrechten). Ook hebben EU-burgers het recht om een verzoekschrift ("petitie") in te dienen bij het Europees Parlement met betrekking tot een onderwerp dat tot de werkterreinen van de EU behoort en die de EU-burger rechtstreeks aangaat (artikel 24, tweede alinea, EU-Werkingsverdrag en artikel 44 EU-Handvest van de grondrechten). 

Transparantie (van besluitvorming)

De besluitvorming in de EU moet op een zo open mogelijke wijze plaatsvinden (artikel 10, lid 3, tweede volzin, EU-Verdrag). Het Europees Parlement en de Raad, wanneer die Raad beraadslaagt en stemt over een ontwerp van wetgevingshandeling, moeten in het openbaar vergaderen. Daarnaast hebben EU-burgers het recht op toegang tot documenten van de instellingen, organen en instanties van de EU. In de Eurowob-verordening zijn aanvullende regels neergelegd voor de toegang tot die documenten (artikel 15 EU-Werkingsverdrag). Het recht op toegang tot documenten is eveneens vastgelegd in artikel 42 van het EU-Handvest van de grondrechten 

Burgerinitiatief

Wanneer tenminste één miljoen EU-burgers, afkomstig uit een significant aantal lidstaten, van oordeel zijn dat inzake een aangelegenheid een rechtshandeling van de EU nodig is ter uitvoering van de EU-Verdragen, kunnen zij het initiatief nemen de Europese Commissie te verzoeken een passend voorstel in te dienen. Het moet wel gaan om een onderwerp dat binnen de bevoegdheden van de EU valt. Dit initiatiefsrecht van EU-burgers wordt het burgerinitiatief genoemd (artikel 11, lid 4, EU-Verdrag en artikel 24, eerste alinea, EU-Werkingsverdrag). 

Vertegenwoordiging en rol van nationale parlementen

De EU-burgers worden in de Europese Raad vertegenwoordigd door hun staatshoofd of regeringsleider en in de Raad vertegenwoordigd door hun regering (ministers), die zelf democratische verantwoording verschuldigd zijn aan hun nationale parlement of aan hun burgers (artikel 10, lid 2, EU-Verdrag). 

Ook de democratisch gekozen nationale parlementen spelen een rol bij het streven om een goede democratische werking van de EU te verzekeren. De nationale parlementen laten zich bijvoorbeeld informeren door de instellingen van de EU en krijgen de ontwerpen van wetgevingshandelingen toegezonden (artikel 12, onder a, EU-Verdrag en artikel 1 en 2, Protocol nr. 1). Daarnaast nemen de nationale parlementen en het Europees Parlement deel aan interparlementaire samenwerking (artikel 12, onder f, EU-Verdrag en artikel 9, Protocol nr. 1). Verder zien de nationale parlementen erop toe dat het beginsel van subsidiariteit wordt geëerbiedigd overeenkomstig de voorwaarden van Protocol nr. 2 bij het EU-Verdrag.  

Naar boven

Grondrechten

In titel III van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is onder het opschrift 'Gelijkheid' een aantal grondrechten opgenomen. Iedere discriminatie is verboden. Het gaat dan om discriminatie op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid (artikel 21, EU-Handvest). Daarnaast bevestigt artikel 23, EU-Handvest van de grondrechten dat mannen en vrouwen gelijk moeten worden behandeld. 

Gelijkheid van burgers

De EU moet in al haar activiteiten de gelijkheid van haar burgers eerbiedigen (artikel 9 EU-Verdrag). Dit houdt in dat de instellingen, organen en instanties van de EU gelijke aandacht moeten geven aan burgers. 

Gelijkheid der lidstaten

De eerbiediging van de gelijkheid van de lidstaten (artikel 4, lid 2, eerste volzin, EU-Verdrag) komt er in wezen op neer dat alle bepalingen van het EU-recht in de hele EU dezelfde betekenis moeten hebben en op dezelfde wijze moeten worden toegepast. Het EU-Hof heeft onder meer geoordeeld dat nieuwe lidstaten - die later dan andere lidstaten zijn toegetreden tot de EU - op gelijke voet moeten worden behandeld als 'oude lidstaten' (C-336/09 P, punt 37). 

Naar boven

Wat betreft de waarde van de rechtsstaat, worden bepaalde aspecten daarvan beschermd door artikel 19 EU-Verdrag en de artikelen 47 tot en met 50 van het EU-Handvest van de grondrechten (C-156/21, punt 160). Hieronder wordt ingegaan op die bepalingen. 

Effectieve rechterlijke bescherming

In artikel 19, lid 1, tweede alinea van het EU-Verdrag komt het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming tot uitdrukking. Dit beginsel houdt in dat de lidstaten een stelsel van rechtsmiddelen en procedures moeten invoeren die verzekeren dat het recht van particulieren op effectieve rechterlijke bescherming wordt gewaarborgd. De lidstaten dienen die effectieve rechterlijke bescherming alleen te verzekeren op de gebieden die onder het EU-recht vallen. 

Op grond van artikel 19, lid 1, tweede alinea, EU-Verdrag moet elke lidstaat erop toezien dat de nationale rechterlijke instanties voldoen aan de vereisten van een effectieve rechterlijke bescherming wanneer die instanties zich kunnen uitspreken over de toepassing of de uitlegging van het EU-recht. Om ervoor te zorgen dat die rechterlijke instanties een dergelijke effectieve rechterlijke bescherming kunnen bieden, is het behoud van hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid van essentieel belang. 

De vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van rechters veronderstellen regels die bij particulieren elke redelijke twijfel wegnemen omtrent de ongevoeligheid van dit orgaan voor externe factoren en zijn neutraliteit ten aanzien van de voor hem aangevoerde belangen. Die regels hebben met name betrekking op de organisatie van de rechtspleging in een lidstaat, zoals de samenstelling en de benoeming van leden van de rechterlijke macht en het ontslag van diezelfde leden. In die context is het noodzakelijk dat de rechters worden beschermd tegen inmenging of druk van buitenaf die hun onafhankelijkheid in gevaar kan brengen. Dit houdt in dat de regels niet alleen elke directe beinvloeding in de vorm van instructies moeten uitsluiten, maar ook vormen van indirecte beinvloeding die de beslissingen van de betrokken rechters kunnen beinvloeden. 

Rechtspleging

In titel VI van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is onder het opschrift 'Rechtspleging' een aantal grondrechten opgenomen. Het gaat om het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht (artikel 47), het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging (artikel 48), het legaliteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel inzake delicten en straffen (artikel 49), en het recht om niet tweemaal voor hetzelfde strafbare feit te worden berecht of gestraft (artikel 50). 

Naar boven

In de preambule van het EU-Verdrag staat vermeld dat de verdragssluitende partijen gehecht zijn aan de eerbiediging van de mensenrechten. In artikel 6, lid 1 van het EU-Verdrag is bepaald dat de EU de rechten, vrijheden en beginselen erkend die zijn vastgesteld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dit Handvest is op 7 december 2000 vastgesteld en vervolgens op 12 december 2007 aangepast. Het Handvest is juridisch bindend en heeft dezelfde juridische waarde als de EU-Verdragen. 

Daarnaast bepaalt artikel 6, lid 2 van het EU-Verdrag dat de EU zal toetreden tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Op dit moment zijn er onderhandelingen gaande over de toetreding van het EU tot het EVRM. Tevens maken de grondrechten, zoals zij worden gewaarborgd door het EVRM en zoals zij voortvloeien uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, als algemene beginselen deel uit van het EU-recht (artikel 6, lid 3, EU-Verdrag). Een aantal algemene beginselen van het EU-recht zijn inmiddels gecodificeerd in het Handvest van de grondrechten.

Naar boven

 

Samenlevingskenmerken

Hieronder worden zes samenlevingskenmerken behandeld. 

Pluralisme verwijst doorgaans naar het naast elkaar bestaan van verschillende sociale en culturele groepen binnen een samenleving. In de Europese Unie is pluralisme van groot belang, aangezien de EU uit lidstaten bestaat met verschillende culturele en sociale tradities. In die context moet de EU de nationale identiteit van de lidstaten eerbiedigen (artikel 4, lid 2, EU-Verdrag).

De verplichting voor de EU om de nationale identiteit van de lidstaten te eerbiedigen kan in feite worden opgevat als een verplichting om de pluraliteit van opvattingen en daarmee de verschillen die elk van de lidstaten kenmerken, te eerbiedigen. De nationale identiteit in artikel 4, lid 2, EU-Verdrag is bedoeld ter beperking van de impact van het EU-recht op de domeinen die als essentieel voor de lidstaten worden beschouwd. Onder meer het familierecht van de lidstaten valt onder de nationale identiteit. De nationale identiteit kan onder bepaalde omstandigheden door lidstaten worden ingeroepen om een afwijking van het EU-recht te kunnen rechtvaardigen. 

Het cultuurbeleid van de EU (artikel 167 EU-Werkingsverdrag) is een beleidsterrein van de EU in het kader waarvan de pluraliteit van de lidstaten wordt bevorderd. Het optreden van de EU in het kader van het cultuurbeleid is erop gericht om de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig hun activiteiten te ondersteunen op een aantal gebieden. Het gaat dan bijvoorbeeld om de verbetering van de kennis en verbreiding van de cultuur en de geschiedenis van de Europese volkeren. 

Naar boven

De Europese Unie heeft als doelstelling om sociale uitsluiting en discriminatie te bestrijden (artikel 3, lid 3, tweede alinea, EU-Verdrag). De EU moet bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden ernaar streven om iedere discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid te bestrijden (artikel 10 EU-Werkingsverdrag).

Artikel 18 van het EU-Werkingsverdrag bepaalt verder dat elke vorm van discriminatie op grond van nationaliteit is verboden. De EU-wetgever kan de nodige maatregelen vaststellen om discriminatie op grond van nationaliteit te voorkomen. Ook kan de EU-wetgever passende maatregelen vaststellen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid te bestrijden (artikel 19, lid 1, EU-Werkingsverdrag). 

Naar boven

Verdraagzaamheid, ook wel vaak aangeduid als tolerantie, is de erkenning dat naast de eigen denkbeelden, gewoonten en kenmerken, er andere zijn van gelijke waarde. Het betekent dat afwijkende meningen en gedragingen niet met sancties worden bestreden. 

Naar boven

Het in artikel 2 EU-Verdrag verankerde rechtvaardigheidsbeginsel wordt geconcretiseerd in artikel 3, lid 3, tweede alinea van het EU-Verdrag, waarin wordt bepaald dat de EU de sociale rechtvaardigheid moet bevorderen. Sociale rechtvaardigheid houdt in dat ieder mens recht heeft op en toegang moet hebben tot bepaalde basisbehoeften. Het gaat dan om basisbehoeften zoals individuele vrijheid, veiligheid, onderwijs en voedselzekerheid. 

In hoofdstuk 3 van de Europese pijler van sociale rechten zijn een aantal fundamentele beginselen en rechten neergelegd die bij moeten dragen aan de bevordering van de sociale rechtvaardigheid in de EU. Kinderen hebben bijvoorbeeld recht op bescherming tegen armoede. Daarnaast heeft een ieder recht op toegang tot essentiële diensten van goede kwaliteit, waaronder water, sanitaire voorzieningen, energie, vervoer, financiële diensten en digitale communicatie. De Europese pijler van sociale rechten is een niet-juridisch bindend instrument en legt geen dwingende verplichtingen op aan de lidstaten. De lidstaten moeten bij de vaststelling van beleid wel rekening houden met de Europese pijler van sociale rechten. 

  • ECER-bericht - Plechtige afkondiging van de Europese pijler van sociale rechten

Naar boven

In de preambule van het EU-Verdrag staat vermeld dat de solidariteit tussen de volkeren van de lidstaten moet worden verdiept met inachtneming van hun geschiedenis, cultuur en tradities. Artikel 3, lid 3 van het EU-Verdrag bepaalt dat de EU de solidariteit tussen generaties en de solidariteit tussen de lidstaten bevordert. In de betrekkingen met de rest van de wereld moet de EU bijdragen aan de solidariteit en het wederzijdse respect tussen de volkeren (artikel 3, lid 5, EU-Verdrag). 

In artikel 21, lid 1 van het EU-Verdrag wordt solidariteit vermeld als één van de beginselen waarop het internationale optreden van de EU berust. In één van de specifieke bepalingen inzake het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid, namelijk artikel 24, leden 2 en 3 van het EU-Verdrag, wordt gesproken van de 'wederzijdse politieke solidariteit' van de lidstaten. 

Artikel 67, lid 2 van het EU-Werkingsverdrag koppelt het gemeenschappelijke beleid van de EU op het gebied van asiel, immigratie en grenscontroles aan solidariteit tussen de lidstaten. Dit uitgangspunt wordt bevestigd in artikel 80 EU-Werkingsverdrag, waarin is bepaald dat het solidariteitsbeginsel ten grondslag ligt aan de uitvoering van dat beleid. Die solidariteit geldt ook op financieel vlak. 

Op het gebied van het economische beleid bevat artikel 122, leden 1 en 2 van het EU-Werkingsverdrag een uitdrukkelijke verwijzing naar de 'geest van solidariteit' tussen de lidstaten. Op die geest van solidariteit wordt eveneens een beroep gedaan in het kader van het energiebeleid van de EU (artikel 194, lid 1, EU-Werkingsverdrag) en in het kader van het gezamenlijke optreden van de lidstaten indien een lidstaat wordt getroffen door een terroristische aanval, natuurramp of door de mens veroorzaakte ramp (artikel 222, lid 1, EU-Werkingsverdrag). 

In titel IV van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is onder het opschrift 'Solidariteit' een aantal rechten gegroepeerd, waaronder sociale en arbeidsrechten (artikel 27-34) en rechten op het gebied van de bescherming van de gezondheid, de toegang tot diensten van algemeen economisch belang, milieubescherming en consumentenbescherming (artikelen 35-38). De EU moet bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid rekening houden met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, het waarborgen van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting, een hoog niveau van onderwijs en opleiding, en de bescherming van de menselijke gezondheid (artikel 9, EU-Werkingsverdrag). Ook moet de EU bij het bepalen en uitvoeren van haar beleid rekening houden met de vereisten inzake milieu- en consumentenbescherming (artikelen 11 en 12 EU-Werkingsverdrag). 

Naast de hiervoor genoemde bepalingen zijn er ook nog andere bepalingen die stoelen op solidariteit. Dat geldt bijvoorbeeld voor het mechanisme voor het verlenen van financiële bijstand aan lidstaten van de EU die niet tot de eurozone behoren (artikel 143 EU-Werkingsverdrag) en voor de bepalingen inzake economische, sociale en territoriale samenhang (cohesie) (artikelen 174-178 EU-Werkingsverdrag). 

Naar boven

Bij elk optreden moet de EU ernaar streven om de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bevorderen (artikel 8 EU-Werkingsverdrag). Artikel 157 EU-Werkingsverdrag bepaalt in dit verband meer specifiek dat iedere lidstaat ervoor moet zorgen dat mannen en vrouwen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid een gelijke beloning ontvangen.

Naar boven