C-184/13 - C-187/13, C-194/13, C-195/13 en C-208/13 API ea

Gevoegde prejudiciële Hofzaken
 

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik op de volledige dossiers C-184/13 , C-187/13 , C-194/13 , C-195/13 en C-208/13 van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   17 juni 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   3 juli 2013
Schriftelijke opmerkingen:                   3 augustus 2013
Trefwoorden: vrij verkeer diensten; mededinging; wegvervoer; discriminatieverbod

Onderwerp: - VEU artikel 4 (geen onderscheid naar nationaliteit); VWEU artikel 96 (regeling vervoer binnen de EU); artikel 101 (kartelverbod)

Verzoekers van deze zeven gevoegde zaken die ook nog eens door (veel) meer dan één verzoeker zijn ingediend hebben de krachten gebundeld omdat zij het niet eens zijn met de door verweerders (Waarnemingscentrum voor de sector wegvervoer, en het Ministerie van infrastructuur en transport) vastgestelde nationale regeling; het gaat om de gewijzigde en aangevulde versie van decreto legge 112/2008 over de “Periodieke publicatie van de bedrijfskosten van ondernemingen voor wegvervoer voor rekening van derden en van de minimumbedrijfskosten die inachtneming van de veiligheidsvoorschriften garanderen” van december 2011 en de bijgewerkte versies van de maanden daarna.
Verzoekers zien in deze regelingen schending van EU-recht, met name vrijheid van vestiging, vrij verrichten van diensten, schending van artikel 96 VWEU (over vervoersprijzen). Met name in de oplegging van een eenvormig tariefstelsel (minimumtarieven) zien zij strijd met VEU artikel 4 VEU en (artikel 101) verstoring van de mededinging. Zij zien in de minimumtarieven geen garantie voor verbetering van de veiligheidsstandaarden, daarvoor zijn in verzoekers ogen slechts bindende maatregelen geschikt.
Verweerders concluderen tot verwerping van het beroep en wijzen erop dat het aangehaalde voorschrift deel uitmaakt van een stelsel van regels voor de gereguleerde liberalisering van de sector wegvervoer dat beantwoordt aan het prioritaire vereiste, de veiligheid van het wegverkeer te garanderen.

De verwijzende ITA rechter stelt het HvJEU daarom de volgende vragen:
1) Zijn met de bescherming van de vrijheid van mededinging, het vrij verkeer van ondernemingen, de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten (neergelegd in artikel 4, lid 3, VEU, en in de artikelen 101, 49, 56 en 96 VWEU) verenigbaar, en zo ja in hoeverre, nationale bepalingen van lidstaten van de Unie die minimumbedrijfskosten voor de sector wegvervoer voorschrijven, die meebrengen dat een onderdeel van de tegenprestatie voor de dienst en dus van de contractprijs door derden wordt vastgesteld?
2) Kunnen beperkingen van de aangehaalde beginselen worden gerechtvaardigd door het algemeen belang van de veiligheid van het wegverkeer, en zo ja onder welke voorwaarden, en passen minimumbedrijfskosten als bedoeld in de regeling van artikel 83 bis van d.l. nr. 112/2008, zoals gewijzigd en aangevuld, in dat kader?
3) Kan de vaststelling van minimumbedrijfskosten in dit verband worden overgelaten aan vrijwillige akkoorden tussen categorieën van belanghebbende marktdeelnemers of eventueel aan organen waarin particuliere marktdeelnemers uit de sector sterk zijn vertegenwoordigd zonder dat tevoren wettelijke criteria zijn vastgesteld?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-197/08 CIE/FRA; C-571/08 CIE/ITA
Specifiek beleidsterrein: IenM
Mede EZ