C-202/13 McCarthy ea

Prejudiciële Hofzaak
 

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het vollege dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   7 juni 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   24 juni 2013
Schriftelijke opmerkingen:                   24 juli 2013
Trefwoorden: burgerschap; verblijfsvergunning; vrij personenverkeer

Onderwerp:
- Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en een lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld;
- Verordening 2006/1003 inzake immigratie binnen de Europese Economische Ruimte
- Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden

Verzoekers Sean Ambrose McCarthy, zijn echtgenote Helena Patricia McCarthy Rodriguez en hun kind Natasha Caley McCarthy Rodriguez vormen een gezin dat in SPA woont. De man heeft zowel de Britse als de Ierse nationaliteit. Zijn echtgenote is Colombiaanse. Zij heeft een verblijfskaart voor SPA als echtgenote van een EU-burger. De geldigheid van die kaart staat niet ter discussie.
Het VK geeft geen vrijstelling van visumplicht voor houders van een door een andere lidstaat afgegeven verblijfskaart. Om het land binnen te komen moet dan ook op grond van EER-verordening 2006/1003 een ‘familievergunning’ worden aangevraagd. Deze vergunning is zes maanden geldig en is verlengbaar door een aanvraag in persoon bij een diplomatieke vertegenwoordiging van het VK. In SPA is dit een kantoor in Madrid. Verzoekers wonen in Marbella. Omdat zij regelmatig naar het VK reizen waar het gezin ook een woning heeft en de man voor medische behandeling zijn cardioloog bezoekt, moet er voor de vergunning vaak naar Madrid heen en weer gereisd worden. Ook moeten steeds formulieren worden ingevuld. Persoonlijk aanvragen is verplicht om identiteitsfraude te voorkomen. Mede omdat verzoekers in de periode 2010 - 2012 veel vertraging bij de aanvragen hebben ondervonden, volgens MinBiZa (verweerder) wellicht mede veroorzaakt door een proef met een nieuw systeem, vragen zij de rechter te verklaren dat het VK heeft nagelaten om op correcte wijze uitvoering te geven aan artikel 5 lid 2 van RL 2004/38.
In juni 2011 heeft de EurCIE het VK hetzelfde verweten in een ingebrekestellingsprocedure. Verzoekers menen dat de ernstige beperkingen van hun rechten niet gerechtvaardigd kunnen worden. De rechter geeft als voorlopige voorziening dat de aanvraag van de vergunning zolang de procedure loopt per post kan worden afgewikkeld.
Verweerder blijft erbij dat de op grond van artikel 35 van RL 2004/38 genomen maatregelen noodzakelijk zijn om fraude en rechtsmisbruik door derdelanders te voorkomen. Er is bewust gekozen geen gevolg te geven aan de in de EER-Vo en artikel 5 lid 2 van de RL genoemde vrijstellingen. Hij is van mening dat verzoekers artikel 35 van de RL veel te eng uitleggen.

De verwijzende VK rechter stelt het HvJEU de volgende vragen:
1. Geeft artikel 35 van richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: „richtlijn”), een lidstaat de bevoegdheid om een algemeen toepasselijke maatregel in te voeren die leidt tot ontzegging, beëindiging of intrekking van het recht dat voortvloeit uit artikel 5, lid 2, van de richtlijn, volgens hetwelk familieleden die geen EU-burger zijn en die in het bezit zijn van verblijfskaarten die krachtens artikel 10 van de richtlijn zijn afgegeven (hierna: „verblijfskaarthouders”), zijn vrijgesteld van de visumplicht?
2. Heeft het Verenigd Koninkrijk op grond van artikel 1 van Protocol nr. 20 betreffende de toepassing van bepaalde aspecten van artikel 26 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op het Verenigd Koninkrijk en Ierland, de bevoegdheid om verblijfskaarthouders te verplichten om in het bezit te zijn van een inreisvisum dat zij vóór aankomst bij de grens dienen te verkrijgen?
3. Indien het antwoord op vraag 1 of vraag 2 bevestigend luidt, is dan de bejegening van het Verenigd Koninkrijk van verblijfskaarthouders in het onderhavige geval gerechtvaardigd, in aanmerking genomen het bewijs dat zakelijk is weergegeven in het vonnis van de verwijzende rechter?

Specifiek beleidsterrein: VenJ

 

Gerelateerde documenten