C-205/13 Hauck

Prejudiciële Hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   9 juni 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   26 juni 2013
Schriftelijke opmerkingen:                   26 juli 2013
Trefwoorden: merkenrecht

Onderwerp: Richtlijn 89/104/EEG zoals gecodificeerd in Richtlijn 2008/95/EG

De zaak gaat tussen Hauck, een in DUI gevestigde vennootschap, en verweerders Stokke, een NOO concern en Opsvik, in persoon en als firma optredend. Opsvik is de ontwerper van de Tripp Trapp kinderstoel, ook in NL wel bekend, die door Stokke cs met name in Scancinavië op de markt wordt gebracht. Stokke Nederland verzorgt in NL de distributie. Ook Hauck houdt zich bezig met kinderartikelen en produceert en verkoopt kinderstoelen onder de naam ‘Alpha’ en ‘Beta’ die door Jakotrade in NL aan de detailhandel worden verkocht.
Stokke heeft in mei 1998 bij het Benelux merkenbureau het uiterlijk van de Tripp Trapp stoel als merk gedeponeerd. In november 2001 heeft de Rb Hamburg de auteursrechtelijke bescherming van de Tripp Trapp-stoel bevestigd en vastgesteld dat de Alphastoel daarop inbreuk maakt.
In onderhavige zaak eist Stokke een verklaring voor recht dat de Hauck-stoelen inbreuk maken op zijn auteursrechten. Hauck verweert zich door te stellen dat er geen auteursrecht op de Tripp Trapp stoel rust, dan wel dat er sprake is van rechtsverwerking. Hij eist nietigverklaring en doorhaling van het gedeponeerde merk. De Rb DH heeft de schadevergoedingseis van Stokke toegewezen en in reconventie de nietigverklaring van het vormmerk toegewezen. Hof DH heeft dit vonnis onder meer voor wat betreft de afwijzing van het auteursrecht vernietigd. De beschikking gaat uitvoerig in op het aspect van de vaststelling door het Hof van de auteursrechtelijke bescherming, zie punt 3.3.1. Hof DH acht het ‘totaalindrukken’-criterium, zoals ontwikkeld door de HR, hier van toepassing. De schadevergoedingseis, door de Rb toegewezen, wordt door het Hof gehandhaafd.
De kernvraag van deze zaak is of elementen van het werk die louter een technisch effect dienen of te zeer het resultaat zijn van een door technische uitgangspunten beperkte keuze, auteursrechtelijke bescherming genieten. (Het gaat om de L-vorm van de verticale staanders en de horizontale liggers van de Tripp Trapp-stoel).

De verwijzende NL rechter (HR) verwerpt vrijwel alle middelen van verzoeker, maar stuit op één kwestie die nog niet door het HvJ zou zijn behandeld. Hij stelt het HvJEU daarom de volgende vragen:
1. a. Gaat het bij de weigerings- of nietigheidsgrond van art. 3 lid 1, aanhef en onder e (i), van de Richtlijn 89/104/EEG zoals gecodificeerd in Richtlijn 2008/95/EG, te weten dat vormmerken niet uitsluitend mogen bestaan uit een vorm die door de aard van de waar wordt bepaald, om een vorm die voor de functie van de waar onontbeerlijk is, of is daarvan reeds sprake bij aanwezigheid van een of meer wezenlijke gebruikskenmerken van een waar, waarnaar de consument mogelijkerwijs in de waren van concurrenten zoekt?
b. Indien geen van deze alternatieven juist is, hoe dient het voorschrift dan te worden uitgelegd?
2. a. Gaat het bij de weigerings- of nietigheidsgrond van art. 3 lid 1, aanhef en onder e (iii), van de Richtlijn 89/104/EEG, zoals gecodificeerd in Richtlijn 2008/95/EG, te weten dat (vorm)merken niet uitsluitend mogen bestaan uit een vorm die een wezenlijke waarde aan de waar geeft, om het motief (of de motieven) van de aankoopbeslissing van het in aanmerking komende publiek?
b. Is van 'een vorm die een wezenlijke waarde aan de waar geeft' in de zin van evenbedoeld voorschrift slechts sprake indien die vorm moet worden aangemerkt als de voornaamste of overheersende waarde in vergelijking tot andere waarden (zoals bij kinderstoelen: de veiligheid, het comfort en de deugdelijkheid) of kan daarvan ook sprake zijn, indien naast die waarde ook andere, eveneens als wezenlijk aan te merken waarden van die waar bestaan?
c. Is voor de beantwoording van vragen 2.a en 2.b beslissend de opvatting van de meerderheid van het in aanmerking komende publiek, of kan de rechter oordelen dat reeds de opvatting van een deel van het publiek volstaat om de betrokken waarde als 'wezenlijk' in de zin 11/04114 37
van voormelde bepaling aan te merken?
d. Indien het antwoord op vraag 2.c in laatstbedoelde zin luidt, welke eis dient dan aan de omvang van het betrokken deel van het publiek te worden gesteld?
3. Dient art. 3 lid 1 van de Richtlijn 89/104/EEG, zoals gecodificeerd in Richtlijn 2008/95/EG, aldus uitgelegd te worden dat de in dat artikel onder (e) bedoelde uitsluitingsgrond ook bestaat, indien het vormmerk een teken behelst waarvoor het aldaar onder (i) bedoelde geldt, en dat voor het overige voldoet aan het aldaar onder (iii) bedoelde?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-393/09 (TSJ zaak);
Specifiek beleidsterrein: VenJ
Mede EZ

Gerelateerde documenten