C-222/13 TDC

Prejudiciële Hofzaak
 

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   24 juni 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   10 juli 2013
Schriftelijke opmerkingen:                   10 augustus 2013
Trefwoorden: staatssteun; telecommunicatie

Onderwerp:
- VWEU artikel 107 (staatssteun)
- Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (‘Universeledienstrichtlijn’)

Verzoekster TDC is de grootste telecomaanbieder van DEN. Zij is sinds 1997 geprivatiseerd en de door haar geleverde diensten vallen onder de universele dienstrichtlijn. Sinds 1998 is zij verplicht tot het verrichten van radiodiensten in DEN en Groenland ten behoeve van de veiligheid van de scheepvaart. Een tot 31-03-2012 geldende DEN regeling had tot gevolg dat TDC geen compensatie voor deze werkzaamheden kon krijgen. De kosten van de radiodiensten schat TDC op DKK 60 mln, waarvan 50% voor Groenland en 50% voor DEN.
TDC heeft herhaaldelijk bij de DENaut geprotesteerd tegen de onmogelijkheid compensatie te verkrijgen. In 2008 wendt zij zich tot de EURCIE met het verzoek de verenigbaarheid van de DEN regeling met RL 2002/22 te onderzoeken. De CIE heeft DEN vervolgens in gebreke gesteld en DEN besluit de gewraakte regeling te wijzigen zonder te erkennen dat de eerdere regeling in strijd was met RL 2002/22.
In juli 2011 verzoekt TDC om compensatie over 2010, in september 2011 over 2007-2009. Maar de laatste aanvragen worden afgewezen wegens verjaring en die over 2010 wordt aangehouden in afwachting van antwoorden op vragen aan het HvJEU. Het bureau dat de claim behandelt is met name van mening dat TDC de kosten zelf moet dragen omdat geen sprake is van een ‘onredelijke last’ voor de onderneming.

Omdat partijen het niet eens worden over de vraag of de radiodiensten al dan niet onder RL 2002/22 vallen en onder welke voorwaarden compensatie moet plaatsvinden stelt de verwijzende DEN rechter stelt acht vragen aan het HvJEU:
1. Verzet richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn), waaronder artikel 32, zich tegen een regeling van een lidstaat, waardoor een onderneming de lidstaat niet kan verzoeken om afzonderlijke dekking van de nettokosten voor de verrichting van aanvullende verplichte diensten, die niet vallen onder hoofdstuk II van de richtlijn, wanneer de winst van de onderneming uit andere diensten die vallen onder de universeledienstverplichting van de
onderneming krachtens hoofdstuk II van die richtlijn, het verlies bij de verrichting van aanvullende verplichte diensten overschrijdt?
2. Verzet de Universeledienstrichtlijn zich tegen een regeling van een lidstaat, waardoor ondernemingen slechts recht kunnen hebben op dekking door de lidstaat van de nettokosten voor de verrichting van aanvullende verplichte diensten die niet vallen onder hoofdstuk II van de richtlijn, indien de nettokosten een onredelijke last voor de ondernemingen vormen?
3. Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, kan de lidstaat beslissen dat er geen onredelijke last is voor de verrichting van aanvullende verplichte diensten die niet vallen onder hoofdstuk II van de richtlijn, indien de onderneming als geheel winst heeft geboekt uit de verrichting van al deze diensten, wanneer de onderneming een universeledienstverplichting heeft, waaronder de verrichting van diensten die de onderneming ook zonder universeledienstverplichting had verricht?
4. Verzet de Universeledienstrichtlijn zich tegen een regeling van een lidstaat waardoor de nettokosten van een aangewezen onderneming voor de verrichting van universele diensten krachtens hoofdstuk II van die richtlijn moeten worden berekend op basis van alle inkomsten en kosten voor de verrichting van de betrokken dienst, waaronder het inkomen en de kosten die de onderneming ook zonder universeledienstverplichting had gehad?
5. Moeten de vragen 1 tot en met 4 anders worden beantwoord indien een aanvullende verplichte dienst moet worden verricht in Groenland, dat volgens bijlage II bij het VWEU een land of gebied overzee is, wanneer de Deense autoriteiten een in Denemarken gevestigd bedrijf een verplichting oplegt en de onderneming geen andere activiteiten in Groenland heeft?
6. Welk belang hebben artikel 107, lid 1, en 108, lid 3, VWEU alsook het besluit van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen, voor de antwoorden op de vragen 1 tot en met 5?
7. Welk belang heeft het beginsel van minimale mededingingsverstoring in met name artikel 1, lid 2, artikel 3, lid 2, en de punten 4, 18, 23 en 26 van de considerans alsook bijlage IV, deel B, van de Universeledienstrichtlijn, voor het antwoord op de vragen 1 tot en met 5?
8. Hebben de bepalingen of beletsels van de Universeledienstrichtlijn, indien zij zich verzetten tegen nationale regelingen in de zin van de vragen 1, 2 en 4, dan directe werking?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-360/10 Sabam/Netlog
Specifiek beleidsterrein: EZ

Gerelateerde documenten