C-249/13 Boudjlida

Prejudiciële Hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik  hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   24 juni 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   10 juli 2013
Schriftelijke opmerkingen:                   10 augustus 2013
Trefwoorden: verblijfsvergunning; handvest grondrechten (beginselen behoorlijk bestuur: rechten van de verdediging; recht te worden gehoord)

Onderwerp:
- Handvest grondrechten (artikel 41 – recht om te worden gehoord)
- Richtlijn 2004/83/EG (minimumnormen voor de kwalificatie en de status van onderdanen van derde landen die om internationale bescherming verzoeken)
- Richtlijn 2008/115 van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven

Verzoeker, de Algerijn Khaled Boudjlida, verblijft sinds 2007 in FRA na te zijn toegelaten voor verblijf als ‘student’. Na afloop van zijn vergunning in oktober 2012 verzuimt hij verlenging aan te vragen. Omdat hij te kennen heeft gegeven zich als zelfstandig ondernemer te willen vestigen wordt hij op het politiebureau ontboden omdat hij op dat moment illegaal in FRA verblijft. Na dat onderhoud besluiten de autoriteiten dat zijn verblijf in FRA binnen een maand moet worden beëindigd.
Verzoeker vraagt vernietiging van het besluit omdat hij van mening is dat de ondertekenaar van het gewraakte besluit daartoe onbevoegd was en het besluit niet aan de (vorm-)vereisten voldoet. Verzoeker wijst op zijn integratie in de FRA samenleving na vijf jaar legaal verblijf, het feit dat twee van zijn ooms universiteitsprofessor in FRA zijn en hij ‘geen zin’ heeft terug te keren naar ALG waar hij gevaar zou lopen.
De prefect (verweerder) stelt dat verzoeker heeft verzuimd tijdig zijn vergunning te vernieuwen zodat hij op tijdstip van het besluit illegaal in FRA verbleef. Er zou geen sprake zijn van onbevoegdheid van de beslisambtenaar omdat die bij besluit van 15 november 2012 gemachtigd is.
Verzoeker wijst op een gebrek in de procedure aangezien hij niet zou zijn gehoord vóór de vaststelling van het besluit. Maar verweerder meent dat verzoeker niet heeft aangetoond dat hij geen mogelijkheid heeft gehad om zijn standpunt duidelijk te maken. Hij had de voorwaarden voor verlenging van zijn verblijfsvergunning eenvoudig kunnen opvragen.
De prefect heeft zijn besluit gebaseerd op de nationale regelgeving die is gebaseerd op RL 2008/115. Hij heeft niet geweigerd een verblijfsvergunning af te geven want die was niet bij hem aangevraagd.
Deze RL, evenmin als de FRA regelgeving, bevat voorschriften over de wijze waarop een vreemdeling moet worden gehoord voordat jegens hem een terugkeerbesluit wordt genomen.

De verwijzende FRA rechter constateert dat in de preambule wordt benadrukt dat rekening moet worden gehouden met de toelichtingen die zijn opgesteld onder het gezag van het praesidium van de opstellers van het Handvest, en wijst daarbij op de toelichting bij artikel 41 (erkenning ‘behoorlijk bestuur’ als algemeen rechtsbeginsel). Het Handvest stelt verder (artikel 52) dat beperkingen van de opgenomen rechten aan voorwaarden zijn gebonden en bij wet moeten worden gesteld. Aangezien hij behoefte heeft aan meer verduidelijking van artikel 41 vraagt hij aan het HvJEU:
1) welke inhoud het in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie omschreven recht om te worden gehoord heeft voor een illegaal verblijvende derdelander jegens wie een terugkeerbesluit moet worden genomen, en met name aan te geven of dit recht het recht omvat om in staat te worden gesteld alle elementen te onderzoeken die met betrekking tot zijn verblijfsrecht tegen hem worden aangevoerd, om mondeling of schriftelijk een standpunt kenbaar te maken na een voldoende ruime bedenktijd en om bijstand van de raadsman van zijn keuze te krijgen;
2) of die inhoud, in voorkomend geval, mag worden aangepast of beperkt, gelet op de in voornoemde richtlijn van 16 december 2008 vervatte doelstelling van algemeen belang van het terugkeerbeleid en, zo ja, welke aanpassingen toelaatbaar zijn en volgens welke criteria?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-277/11 M
Specifiek beleidsterrein: VenJ

Gerelateerde documenten