C-251/13 E.ON Vattenkraft Sverige Aktiebolag

Prejudiciële Hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   4 juli 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   20 juli 2013
Schriftelijke opmerkingen:                   20 augustus 2013
Trefwoorden: milieu; waterbeleid

Onderwerp: Richtlijn 2000/60/EG van het EP en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid

Verzoekster heeft plannen gemaakt om haar krachtcentrale te verbouwen en effectiever te maken. Zij wil een nieuwe inlaat plaatsen, waarna deze via een ca 4,6 km lange buis met de centrale verbonden zal worden, grotendeels ondergronds in het al bestaande inlaatkanaal dat daarna zal worden opgevuld. Alleen de laatste 200 m komt de buis boven de grond te lopen. Ook in de centrale zullen onderdelen worden vernieuwd, onder meer een nieuwe turbine. Voor de liefhebbers: de punten 7 – 12 geven een technische beschrijving van de geplande maatregelen.
De centrale ligt in een ‘wildernis’ tussen verschillende gemeenten, een gebied met een rijke fauna. De rechter in eerste instantie heeft verzoeksters vergunningsaanvraag voor ver- en uitbouw van de centrale afgewezen omdat de aangevraagde activiteit niet economisch kan worden gerechtvaardigd op grond van het algemeen belang: de opbrengst van de centrale weegt niet op tegen de aan het milieu toegebrachte schade. Maar het vonnis is in hoger beroep vernietigd en terugverwezen ter vaststelling van de vergunningsvoorwaarden. Een aantal (natuur-)organisaties is tegen dat vonnis opgekomen bij de hoogste rechter maar zij hebben geen toestemming gekregen voor een beroepsprocedure. Het vonnis van de beroepsrechter is dan ook in kracht van gewijsde gegaan. In onderhavige procedure gaat het om de voorwaarden die aan de vergunning gesteld gaan worden.

De verwijzende ZWE rechter vraagt zich af hoe met het oog op de te stellen voorwaarden de kaderrichtlijn water moet worden toegepast. Hij stelt daartoe de volgende vragen aan het HvJEU:
1) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, heeft overeenkomstig artikel 1, sub a, ervan onder meer tot doel aquatische ecosystemen voor verdere achteruitgang te behoeden en de toestand ervan te verbeteren (zie ook punten 1, 19 en 25 van de considerans [van richtlijn 2000/60]). Moet de richtlijn, gelet op dat doel, gelezen in samenhang met de vereisten van artikel 4, lid 1, sub a-i [van richtlijn 2000/60] en met de punten vermeld in artikel 4, lid 7, eerste streepje, van [richtlijn 2000/60] (zie ook punt 32 van de considerans [van richtlijn 2000/60]), aldus worden uitgelegd dat het met de bepalingen ervan onverenigbaar is dat op basis van een nationale regeling een vergunning wordt verleend voor een activiteit of maatregel (nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een oppervlaktewaterlichaam via een permanente verandering van de waterhuishouding met betrekking tot de kwantiteit en de dynamiek van het debiet) waardoor de huidige toestand van het waterlichaam achteruitgaat, zonder dat de betrokken autoriteit eerst heeft vastgesteld dat de activiteit of maatregel voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling in artikel 4, lid 7, sub a tot en met d [van richtlijn 2000/60]?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moet het in de richtlijn neergelegde vereiste dat de toestand van een waterlichaam niet achteruitgaat, aldus worden uitgelegd dat elke achteruitgang verboden is, ongeacht of de achteruitgang plaatsvindt binnen een normatieve classificatie (overeenkomstig bijlage V, punt 1.2 of punt 1.2.1 [bij richtlijn 2000/60]) dan wel sprake is van achteruitgang van een classificatie naar een lagere classificatie?
3) Indien de tweede vraag aldus moet worden beantwoord dat het vereiste dat de toestand van een waterlichaam niet achteruitgaat, alleen geldt in situaties waarin er sprake is van achteruitgang van een classificatie naar een lagere classificatie, hoe moet dan het in de richtlijn neergelegde vereiste dat de toestand van een waterlichaam niet achteruitgaat, worden uitgelegd bij de beoordeling van de achteruitgang van de toestand van een waterloop die vóór de uitvoering van de verandering van de fysische kenmerken van het oppervlaktewaterlichaam waardoor de achteruitgang wordt veroorzaakt, reeds de laagste classificatie (slecht) heeft?
4) Is een lagere rechter die van de door artikel 267, tweede alinea, VWEU geboden mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, wanneer hij de behandeling van de zaak voortzet, aldus gebonden door de uitlegging die het Hof van Justitie van de Europese Unie aan de bepalingen van Unierecht geeft, dat hij, nadat de hogere rechter bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing heeft verklaard dat de activiteit is toegestaan en de zaak heeft terugverwezen naar de lagere rechter met het oog op de afgifte van een vergunning en de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden, in voorkomend geval moet afwijken van de beslissing van de hogere rechter dat de activiteit is toegestaan wanneer hij tegen de achtergrond van die uitlegging van oordeel is dat de beslissing van de hogere rechter in strijd is met het Unierecht?

Specifiek beleidsterrein: IenM

Gerelateerde documenten