C-254/13 Orgacom

Prejudiciële Hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzigsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   27 juni 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   13 juli 2013
Schriftelijke opmerkingen:                   13 augustus 2013
Trefwoorden: heffingen van gelijke werking; landbouw (mestoverschotten); vrij verkeer goederen; discriminatieverbod

Onderwerp: VWEU artikel 30 verbod in- en uitvoerrechten; artikell 110 (geen hogere belasting op producten uit andere LS)

Verzoekster is gespecialiseerd in de fabricatie van bodemverbeteraars en organische meststoffen. Zij maakt bezwaar tegen aanslagen over 2002 en 2004 op de invoer (voornamelijk uit NL) van paardenmest die als grondstof dient voor de aanmaak van champignonsubstraat en als zodanig wordt uitgevoerd. Verzoeksters bezwaar is dat een dergelijke heffing niet bestaat voor bijvoorbeeld kippenmest en rundveemest die eveneens als grondstof voor champignonsubstraat dienst doet, of voor chemische meststoffen.
De verantwoordelijke instantie (Mestbank) verklaart het bezwaar ongegrond; hetzelfde oordeel wordt geveld door de rechter in eerste instantie. Verzoekster gaat in beroep.
Het Grondwettelijk Hof heeft in 2010 naar aanleiding van prejudiciële vragen geoordeeld over strijdigheid van het Meststoffendecreet met de BEL grondwet en/of de BEL economische en monetaire Unie, namelijk dat de betreffende (Vlaamse) regelgeving strijdig is met de regelgeving over hervorming van de instellingen en dat deze moet worden beschouwd als een ‘douanerecht’. Dit is voor verzoekster met name van toepassing voor het kleine gedeelte dat zij invoert uit Wallonië.
Verzoekster meent dan ook dat voor de invoerheffingen op uit NL geïmporteerde meststoffen strijdigheid bestaat met artikel 30 VWEU. De zwaardere belasting is volgens verzoekster het gevolg van het gegeven dat NL voorziet in een vermindering van de heffing bij uitvoer. Daarnaast wijst verzoekster op het doel van het Meststoffendecreet, te weten de bescherming van de Vlaamse bodem en het grondwater tegen verontreiniging (onder meer door meststoffen). Ook al om die reden zou geen invoerheffing geheven moeten worden. Zij voldoet niet aan de criteria van het ‘de vervuiler betaalt’ principe omdat zij slechts mestoverschotten verwerkt en weer uitvoert; van verspreiding is geen sprake.

Aangezien verzoekster tevens een beroep doet op de beginselen van behoorlijk bestuur en de federale loyaliteit, beginselen waaraan de verwijzende BEL rechter het decreet niet mag toetsen, stelt hij de volgende vragen aan het HvJEU:
(1) Dient de in artikel 21, §5 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen beschreven invoerheffing, welke louter verschuldigd is op de invoer van mestoverschotten van zowel dierlijke mest als andere meststoffen, in het binnenland afkomstig vanuit de andere lidstaten en ongeacht deze verder worden verwerkt of afgezet op de binnenlandse bodem en waarbij de heffing over deze ingevoerde mestoverschotten wordt geheven van de importeur, terwijl de heffing over de in het binnenland geproduceerde mestoverschotten wordt geheven van de producent, te worden beschouwd als een in artikel 30 VWEU bedoelde heffing van gelijke werking als een invoerrecht, dit terwijl de lidstaat van waaruit de mestoverschotten worden uitgevoerd zelf in een vermindering van heffing voorziet bij uitvoer van deze mestoverschotten naar andere lidstaten?
(2) Indien de in artikel 21, §5 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen beschreven invoerheffing welke louter verschuldigd is op de invoer van mestoverschotten van zowel dierlijke mest als andere meststoffen, in het Vlaamse Gewest afkomstig vanuit de andere lidstaten, niet als een heffing van gelijke werking als een invoerrecht kan worden beschouwd, dient deze invoerheffing dan te worden beschouwd als een in artikel 110 VWEU bedoelde discriminerende belasting op producten uit de overige lidstaten, daar op in het binnenland geproduceerde dierlijke meststoffen een basisheffing wordt geheven die deel uitmaakt van een nationale regeling en waarvan het tarief verschilt naargelang het productieprocédé. terwijl voor ingevoerde mestoverschotten ongeacht het productieprocédé (o.a. de dierlijke oorsprong of het gehalte aan P205LV), een invoerheffing wordt geheven met een éénvormig tarief, waarvan het tarief hoger is dan het laagste tarief van de basisheffing voor de in het Vlaamse Gewest geproduceerde dierlijke mest, welk tarief 0,00 euro bedraagt, dit terwijl de lidstaat van waaruit de mestoverschotten worden uitgevoerd zelf in een vermindering van heffing voorziet bij uitvoer van deze mestoverschotten naar andere lidstaten?

Specifiek beleidsterrein: EZ
Mede FIN

Gerelateerde documenten