C-256/13 en C-264/13 Belgacom ea

Gevoegde prejudiciële Hofzaken

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik op C-256/13 en C-264/13 voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   5 juli 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   21 juli 2013
Schriftelijke opmerkingen:                   21 augustus 2013
Trefwoorden: telecommunicatie; gelijke behandeling

Onderwerp: Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische communicatienetwerken en diensten (‘Machtigingsrichtlijn’)

Verzoekster Belgacom (zaak C-256/13) levert telecommunicatiediensten. Zij is het oude staatsbedrijf en heeft van oudsher een netwerk. De pylonen die reeds voor vaste telefonie werden gebruikt worden nu ingezet voor de mobiele telefoondiensten. Om het hele grondgebied van BEL te bestrijken zijn meer pylonen, die enkel voor mobiele telefonie bestemd zijn, geïnstalleerd op (bestaande, gehuurde) gebouwen of speciaal daarvoor opgerichte bouwwerken.
In 2006 is een Algemene Provinciebelasting Bedrijven 2007 op ‘vestigingen’ aangenomen. Voor de provincie Antwerpen ontvangt verzoekster voor drie vestigingen in totaal een aanslag van € 297,00. Zij dient in december 2007 een bezwaarschrift in, en in december 2008 een aanvulling. De provincie verwerpt het bezwaarschrift. Verzoekster ontvangt een aanvullende aanslag (jaar 2007bis) ten bedrage van € 45.441,-. Ook tegen die aanslag dient verzoekster 1 december 2008 bezwaar in dat al op 9 december wordt afgewezen. Er volgt nog een aanslag (2007ter) voor een bedrag van € 3.960,- waartegen ook weer bezwaar wordt gemaakt maar ook dit wordt verworpen.
Verzoekster is van mening dat voor de aanslagen een geldige rechtsgrondslag ontbreekt (publicatie van de regel had nog niet plaatsgevonden op moment van oplegging). Zij stapt naar de rechter die de vier zaken samenvoegt. De rechter in eerste instantie stelt verzoekster in het gelijk dat de provincialeregeling in strijd is met ‘de wet’. Verweerster (Provincie) gaat in beroep. Zij houdt vol dat verzoekster onroerende zaken in bezit heeft (voor de zendmasten) die als ‘vestigingen’ beschouwd worden. Deze bouwwerken komen niet in aanmerking voor belastingvrijdom. Verzoekster stelt dat de regeling weliswaar grondwetconform is maar indruist tegen RL 2002/20, de ‘machtigingsrichtlijn’, met name artikel 13   volgens welk artikel alleen een vergoeding mag worden gevraagd, geen belasting mag worden geheven.

De verwijzende BEL rechter acht het stellen van een vraag aan het HvJEU noodzakelijk om deze zaak te kunnen beslissen:
"Moet(en) artikel 6 en/of artikel 13 van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische communicatienetwerken en diensten (Machtigingsrichtlijn) aldus worden uitgelegd dat zij/het in de weg staan/staat dat het een overheid van een lidstaat toegelaten is om de economische activiteit van de telecomoperatoren die op het grondgebied of een deel ervan verwezenlijkt wordt door de aanwezigheid op publiek of privaat domein van gsm-masten, -pylonen of -antennes die voor die activiteit worden aangewend, te belasten om budgettaire of andere redenen?"

Zaak C-264/13
In deze zaak is verzoekster Mobistar NV is tevens leverancier van mobiele diensten. De bedragen zijn anders maar de kern van de zaak is hetzelfde.

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Gevoegde zaken C-55/11, 57/11 en 58/11 Vodafone Espana
Specifiek beleidsterrein: EZ

Gerelateerde documenten